Opinie

David Lynch maakt me altijd aan het lachen

Joyce Roodnat David Lynch’ schilderijen zijn eigenlijk te erg. Net als zijn films. Zijn humor is vuil en akelig, maar er is geen redden aan.

Joyce Roodnat

Eindelijk ga ik naar het Bonnefantenmuseum in Maastricht, voor de tentoonstelling van David Lynch. Het werd tijd. Ik ben verzot op zijn films, Wild at Heart ken ik uit mijn hoofd (nu ja, dat zou ik willen). Maar de schilderijen en de tekeningen die hij zijn leven lang óók maakte ken ik niet. Ik zag glimpen in de documentaireDavid Lynch: The Art Life. Maar dat is niet in het echt. Hoe groot ze zijn, wist ik alleen in theorie. Hoe ontzagwekkend, had ik niet begrepen. Hier vouwen ze zich om me heen. Voor ik ze aan kan gapen, hebben ze me al omsingeld en drijven ze me op, in elke zaal weer.

Lees een interview met David Lynch over zijn beeldende kunst in Bonnefanten: ‘Wat ik wil schilderen is verrotting’

David Lynch schildert als een animatiefilmer. In lege landschappen spartelen geboetseerde figuren. Hoofden zijn een klont, lijven gemangeld, Tom & Jerry in de gruwelstand. Vaak schildert hij een schreeuw erbij, in letters als harksporen. „Airplaines fly over” staat er bovenin een schildering – je hoort meteen een soundtrack. Maar lees „Bob loves Sally until she is blue in the face” en je rilt bij de hompen op het doek.

Lynch’ schilderijen zijn eigenlijk te erg. Net als zijn films. Maar terwijl ze me verstikken, maken ze me aan het lachen. Net als zijn films, ja.

David Lynch: Bob loves Sally until she is blue in the face (2000).

Ik vind Lynch zo grappig. Zijn humor is vuil en akelig, maar er is geen redden aan. Zodra ik in zijn serie Twin Peaks de hardhorende, op stormkracht sprekende FBI-agent Gordon Cole zie, zit ik te gniffelen, ook als hij commentaar levert op een vers afgeschoten hoofd. Lynch speelt de agent zelf, en gretig. En mijn mond krult zodra ik denk aan Lula in Wild at Heart die tegen Sailor zegt: „You’ve got me hotter than Georgia asphalt”.

‘Someone is in my house’ kermen letters op een litho. Het is naargeestig als de hel, het hakt erin. Maar de lachkriebel is er meteen bij. Want door die zin associeer ik het met een argwanende sikkeneur in constante staat van korzeligheid. Zijn wereldje is klein, hij heeft het voorzien op die ene man in de buurt. Rare figuur. Wat wil die van hem? Tom Waits, behept met dezelfde sinistere humor als Lynch richt met zijn song ‘What’s he building in there’ een monument op voor zo’n kankerpit: Wat doet die man daar toch, hij zegt nooit gedag, hij heeft geen hond, wat fluit hij toch de hele tijd voor een deuntje? „I’ll tell you one thing/ He’s not building a playhouse for/ The children.”

Verschrikkelijk. Maar ook: wat een verbeeldingskracht!

Lynch’ kunst onthult de wereld als principieel horrortheater. Ik tel dat op bij Waits’ uitspraak „Reality is for people who can’t face drugs” en mijn hart klopt voor dit galzwarte surrealisme. En dus loopt ik in het Bonnefantenmuseum steeds te grijnzen. Maar misschien is dat mijn zonnige natuur.