Niets is superieur bij het schooladvies. De toets niet en de docent niet

Basisonderwijs Wie geeft het beste middelbareschooladvies, de basisschoolleraar of de eindtoets? Wie gelijk heeft, kun je strikt genomen nooit zeggen.

Leerlingen van een basisschool in Amstelveen buigen zich over de Cito-toets.
Leerlingen van een basisschool in Amstelveen buigen zich over de Cito-toets. Foto Koen van Weel/ANP

Op haar laptop laat statisticus Kimberley Lek het computerprogramma zien dat ze samen met hoogleraar Rens van de Schoot, haar promotiebegeleider, heeft gemaakt. Vijf silhouetten van poppetjes, naast elkaar, geven vijf verschillende niveaus van bekwaamheid in het leren aan. „We vragen aan de docent om een bepaalde leerling te plaatsen op een van die vijf poppetjes”, vertelt Lek in de werkkamer van Van de Schoot in Utrecht. „Docenten zijn vertrouwd met die vijfdeling, want het leerlingvolgsysteem op de basisschool heeft ook vijf hoofdniveaus.” Ze klikt verder: „In de volgende stap vragen we hetzelfde te doen met tien poppetjes, en daarna twintig… tot het zo precies wordt dat de docent het niet meer weet. Zo krijg je een maat van waar de docent vindt dat de leerling staat én een maat voor de onzekerheid van de docent.”

Je kunt de resultaten in een grafiek zetten, laat ze zien, met bekwaamheid op de horizontale as en op de verticale as hoe zeker de docent erover is. Van sommige leerlingen weet een docent zéker dat die op het vmbo thuishoren (zo’n leerling is een lijn met een zelfverzekerd hoge piek links in de grafiek). Of juist op het vwo (hoge piek rechts). Maar bij sommige leerlingen hebben docenten amper een idee. Daar wordt de grafiek laag, plat, met op zijn best ergens een bobbeltje. „Ik sprak laatst een docent”, zegt Van de Schoot, „die zei dat ze zich niet gerealiseerd had dat ze van sommige kinderen in de klas geen enkel idee had welk onderwijsniveau bij hen paste. Dat vond ze heel erg.”

Alle informatie over een kind

Het computerprogramma is bedoeld om het docentadvies voor voortgezet onderwijs aan het eind van de basisschool te kwantificeren, om het zo beter te kunnen combineren met het advies uit de centrale eindtoets. Dat kun je er in de grafiek bijzetten en dan heb je alle informatie over een kind, inclusief de onzekerheid van de docent, in één oogopslag. Het combineren van docentadvies en eindtoetsadvies is de belangrijkste aanbeveling die Lek en Van de Schoot doen in hun artikel in het aprilnummer van De Psycholoog.

In hun onderzoek laten ze zien dat als toets en docent het niet eens zijn, bij gemiddeld 12,1 procent van de leerlingen de docent beter voorspelt waar een leerling zit in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs, en bij 7,6 procent de toets (bij 5,9 procent zaten eindtoets én docent ernaast). Maar dat verschilt per onderwijsniveau: als zo’n leerling in het derde leerjaar op het vwo zit, blijkt weer dat de toets dat vaker al had voorspeld (10,7 procent) dan de docent (4,7 procent).

In driekwart van de gevallen zijn toets en docent het trouwens wél eens over wat een leerling aankan, of overlapt hun advies – maar wat doe je bij dat laatste kwart? Die discussie is actueel. In 2015 werd in plaats van de centrale eindtoets het docentadvies leidend voor het niveau waar kinderen in het voortgezet onderwijs werden geplaatst. Lek en Van de Schoot onderzochten waar het hele eerste cohort leerlingen na deze wetswijziging terechtkwam. De docent geeft dat advies in februari; het kan bijgesteld worden als de eindtoets vervolgens hoger aangeeft. Maar omdat dat maar bij 1 op de 3 tot 1 op de 6 leerlingen met een hoger eindtoets- dan docentadvies blijkt te gebeuren, willen de regeringspartijen nu de toets weer leidend maken.

Lagere sociale milieus

Lek en Van de Schoot pleiten naar aanleiding van hun onderzoek dus voor een combinatie, omdat het advies van docent noch eindtoets altijd superieur is aan het andere. Ook aan veel gehoorde kritiek wordt daarmee gehoor gegeven: dat de docent bevooroordeeld kan zijn tegen kinderen uit lagere sociale milieus, of dat de eindtoets gevoelig is voor omstandigheden als ziekte en faalangst.

„Het onderzoek van Lek en Van de Schoot is ijzersterk, omdat ze naar heel Nederland en een hele jaargang leerlingen kijken”, zegt Theo Nijsse, die bij de Rijksuniversiteit Groningen in de jaren 70 en 80 vergelijkbaar onderzoek deed in het noorden van het land, en die het onderzoek al voor publicatie zag. Emeritus hoogleraar psychologie Wim Hofstee, een van de reviewers van het artikel, is ook enthousiast, met name over de aanbeveling om toets- en docentadvies te combineren: „Dat geeft ouders en leerlingen meer ruimte om hun eigen beslissing te nemen. Dergelijke adviezen moeten echt een advies aan ouders en leerlingen zijn”, vindt hij. „Geen verkapte manier van selecteren, zoals nu.”

Shot in the dark

Sowieso kun je het beste zoveel mogelijk informatie meewegen, zegt onderwijspsycholoog Marcel Veenman van het Instituut voor Metacognitie Onderzoek, ook een reviewer: „Zoals dit artikel bepleit. Want het blijft toch een shot in the dark.”

„Het is inderdaad heel moeilijk om dit soort dingen goed te meten, zegt onderwijseconoom Trudie Schils van de Universiteit Maastricht. Samen met collega’s volgt zij jarenlang de schoolloopbaan van leerlingen in Limburg. In 2015 was ze een van de auteurs van een vergelijkbaar onderzoek als dat van Lek en Van de Schoot, maar uitgevoerd bij Limburgse leerlingen voor wie het toetsadvies nog leidend was. Toen was het toetsadvies gemiddeld lager dan het docentadvies; in het nieuwe onderzoek is dat andersom. Dat verbaast Schils niet: „Een te laag advies kun je nog opwaarderen, met een te hoog advies kun je niks meer.” De Maastrichtenaren concludeerden destijds ook dat de docent beter voorspelde waar leerlingen in het derde leerjaar terechtkwamen dan de eindtoets, maar de docent kende daarbij de toetsuitslag en had dus meer informatie dan de toets.

Wie krijgt gelijk?

Wie er gelijk krijgt, de docent of de centrale eindtoets, kun je trouwens strikt genomen nooit zeggen. Je kunt geen experiment doen waarbij je willekeurig adviezen aan leerlingen toewijst; waar een leerling in het derde leerjaar zit, is afhankelijk van het meegekregen advies. Als een leerling zich erbij neerlegt, kan een te laag advies bijvoorbeeld een self-fulfilling prophecy worden, schrijven Lek en Van de Schoot. „Maar het niveau in het derde leerjaar is de beste maatstaf die we hebben”, zegt Lek. „Leerlingen switchen het vaakst tussen niveaus in de eerste twee jaar van het voortgezet onderwijs.” Dat was in het onderzoek van Theo Nijsse inderdaad ook al zo, zegt die.

„Maar eigenlijk wil je ook weten”, zegt Trudie Schils, „hoe vóélt een leerling het in het derde leerjaar? Zulke aspecten worden steeds belangrijker gevonden, maar er is heel weinig over bekend. En: hoe doet een leerling het in een bepaalde klas.” Is iemand bijvoorbeeld blijven zitten? Dat hebben Lek en Van de Schoot niet apart geanalyseerd; of een leerling in zijn derde jaar op de middelbare school in 2-vwo of 3-vwo zat, maakte in hun onderzoek niet uit. „Als een leerling niet was afgestroomd naar een lager niveau zagen wij dat als indicatie dat de school er nog vertrouwen in had”, zegt Lek.

Eén telefoontje

Dat is een van de vele keuzes die je als onderzoeker maakt, legt haar begeleider Van de Schoot uit. Zo hebben ze ook niet gekeken naar verschillende vmbo-niveaus, sekse en sociaal-economische achtergrond. „Die laatste variabelen zitten ook weer in andere databases bij het CBS, van wie we de data kregen”, zegt Lek. „En het is een heel gedoe om dat samen te voegen, het is niet: één telefoontje en dan heb je het.” Het zijn wel dingen die een rol kunnen spelen, zegt Schils. „Als een docent bijvoorbeeld weet dat niemand uit de familie van een leerling gestudeerd heeft, kan die docent een lager advies geven. Heel verdrietig.”

Dat is allemaal iets voor vervolgonderzoek. Net als de ‘zachte aspecten’ waar Schils het over heeft. Kinderen hebben tegenwoordig al jong stress, zegt Van de Schoot. „Sommigen krijgen speciale training voor de eindtoets. Wat doen we ze áán?” En het voortgezet onderwijs is zo anders van karakter dan de basisschool, zegt Lek. „Het is een heel andere setting, dus is het moeilijk om te voorspellen hoe een kind het daar gaat doen. Ze hebben ineens de druk van heel vaak toetsen, maar ook van de vraag of medeleerlingen hen wel aardig vinden…”

Ook daarom is het goed om leerlingen een breder advies mee te geven, dus om de definitieve keuze wat uit te stellen, vindt ze. „Nederland is vroeg met selecteren. Er gebeurt zó veel rond je twaalfde. En het gaat om een keuze die de rest van je leven bepaalt. Je kunt wel switchen en stapelen, maar dat vereist veel inzet en motivatie.”

Meer kansen

Middelbare scholen zullen niet blij zijn met het verbreden van het advies, denkt Schils. „Veel willen liever een enkelvoudig advies, weet ik. Het is ook moeilijk: als je praktische vmbo-leerlingen samen zet met havisten, trek je misschien de slimmere leerlingen omlaag, of die gaan zich vervelen. En welk lesmateriaal ga je gebruiken?” Tja, boeken voor combinatieklassen bestáán gewoon, werpt Lek tegen. „Maar er is nu inderdaad een tendens om enkelvoudig te adviseren. Dat is organisatorisch natuurlijk wel makkelijker voor de scholen, maar je doet alsof je het al zeker weet, terwijl er heel veel onzekerheid in die overgang zit. Met een breed advies gun je leerlingen meer kansen.”

Misschien moet je die onzekerheid óók wel aan de vervolgschool laten zien, zegt Van de Schoot. „Bij het ene kind speelt meer onzekerheid mee dan bij het andere. Dan zou je dus voor sommige leerlingen meer tijd moeten nemen om ze te bespreken met de vervolgschool. Laat die onzekerheid maar zien!” En dat kan dus met de grafieken die uit hun programma-in-ontwikkeling rollen. Volgend jaar of het jaar erna hopen ze er een groot onderzoek mee te doen. Het duurt nog wel even voor het breed kan worden ingezet, zegt Lek: „Dan zijn we wel een aantal jaar verder.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.