Opinie

Alleen nog geld voor een kwart vaste aanstelling als docent

Onderwijsblog Universiteiten willen minder tijdelijke contracten. Maar een kwart aanstelling bij geesteswetenschap is ook niet best, vinden Geertje Hulzebos en Niels Niessen

Remko de Waal/ANP

Veel wetenschappers aan Nederlandse universiteiten hebben een tijdelijke aanstelling. De flexcontracten komen met name voor bij postdocs en docenten zonder onderzoekstijd (een verschil met de universitair docent, die wel onderzoekstijd heeft). Volgens de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) had in 2017 74 procent van deze groep ‘overig wetenschappelijk personeel’ een tijdelijke aanstelling. Ter vergelijking, die categorie overig wetenschappelijk personeel (vast en tijdelijk) betrof dat jaar 45 procent van de ruim 22.000 wetenschappelijk medewerkers, waarbij promovendi buiten beschouwing zijn gelaten. Aan de Nederlandse universiteiten werkt dus minstens een derde van het wetenschappelijk personeel als tijdelijk docent zonder onderzoekstijd of als tijdelijk onderzoeker, vaak zonder onderwijstaken.

Behalve deze onzekere arbeidssituatie hebben veel van deze academici, net als wetenschappelijk medewerkers in een vaste baan, last van hoge werkdruk. Een onderzoek van het Rathenau Instituut van 2018 toont aan dat wetenschappelijk personeel gemiddeld meer dan een kwart van de gecontracteerde uren overwerkt. Deze situatie is gaandeweg genormaliseerd. Het is inmiddels staand gebruik aan universiteiten dat een 0,8 fte onderwijsaanstelling — en op sommige afdelingen zelfs 0,7 fte — gelijkstaat aan een voltijdsbaan.

Wat betekenen deze cijfers voor docenten en postdocs?
Dat kan Bronwyn Henebury (28) vertellen. Zij werkt sinds 2016 als juniordocent psychologie aan de Universiteit Utrecht, in het laatste jaar van haar tweede tijdelijke contract. Door de jaarlijkse wisseling van docenten is het volgens haar bijna onmogelijk een prettige en goed functionerende academische gemeenschap op te bouwen. Iedereen moet opnieuw het wiel uitvinden. Dit is niet alleen inefficiënt, maar ook nadelig voor de kwaliteit van het onderwijs. “Geen enkele docent krijgt een vaste aanstelling, hoe goed je je werk ook doet. Na vier jaar tijdelijke contracten kun je vertrekken, excellente evaluaties en behaalde docentprijzen ten spijt.”

Kennis voor niets

Ze zegt dat docenten wel hun Basis Kwalificatie Onderwijs (BKO) kunnen halen. Alleen krijgen docenten daarna vaak niet de kans om de opgedane kennis toe te passen: “Als je dan eindelijk je BKO hebt, dan loopt je contract af. De volgende generatie docenten begint weer opnieuw. Op deze manier komt er weinig terecht van deze investeringen.” Bronwyn krijgt steeds meer studenten: “Twee jaar geleden hadden we gemiddeld 18 studenten in een werkgroep, nu zijn dat er 22.”

Wouter Capitain (33) is docent in een deeltijdaanstelling voor twee jaar bij Muziekwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Hiervoor werkte hij vijf jaar in verschillende tijdelijke contracten aan de Universiteit van Amsterdam. Binnen de geesteswetenschappen zijn part-time docentaanstellingen standaard. Maar aan een succesvolle academische carrière moet fulltime worden gewerkt, waardoor die moeilijk is te combineren met andere werkzaamheden. Hij spreekt van een “vicieuze cirkel”: Docenten hebben meestal geen onderzoekstijd, maar publicaties en het succesvol aanvragen van onderzoeksbeurzen zijn een absolute vereiste voor het verwerven van een vaste aanstelling. Onderzoek wordt daarom in de vrije tijd verricht. “Docenten moeten alles uit zichzelf halen om uitzicht te behouden op een vast contract”, zegt hij.

Kwart aanstelling

In de geesteswetenschappen worden afdelingen geacht om met een klein budget een heel onderwijsprogramma neer te zetten. Door deze onderfinanciering is het onmogelijk om grote contracten aan te bieden. “Aanstellingen van bijvoorbeeld 0,25 zijn geen uitzondering. Op papier ziet het er goed uit, maar de praktijk is minder fraai”, zegt Capitain.

Marcel van den Haak (42) is universitair docent cultuurbeleid en -educatie (in een aanstelling voor een jaar met uitzicht op verlenging van één jaar) aan de Radboud Universiteit. Na zijn promotie in 2014 heeft hij zes tijdelijke onderwijsaanstellingen gehad, aan verschillende universiteiten, in deeltijd, en alle korter dan een jaar. Maar er is wel veel tijd om over te werken: “Onderwijs is altijd meer doen dan waarvoor je betaald krijgt.”

Volgens Marcel ontstaan banen op universiteiten voornamelijk doordat mensen tijdelijk wegvallen. Dat “opvullen van gaten in excelsheets” gaat vaak ad hoc. “Ineens blijkt er vervanging nodig en moet er van alles in het werk gesteld worden om het onderwijs door te laten gaan.” Marcel zegt dat mensen die “in minder gunstige omstandigheden verkeren” niet in de wetenschap kunnen werken. “Ik heb geen gezin en ik woon heel goedkoop, dus ik kan mij de onzekerheid van dit bestaan veroorloven.” De onderzoeksartikelen schreef Marcel in zijn vrije tijd, bijvoorbeeld toen hij werkloos was: “Alleen dan had ik er tijd voor.” Veel tijd gaat zitten in het schrijven van onderzoeksvoorstellen met een minieme kans op slagen.

Baan hoppen

De nieuwe generatie academici hopt van baan naar baan en gebruikt de avonduren en weekenden om het werk af te krijgen of om te werken aan publicaties en beursaanvragen. Het is een carrousel waarin docenten en onderzoekers vaak niet weten of ze volgend jaar ook nog werk hebben. Het plannen van een privéleven wordt zo een lastige opgave. Tegelijk nemen afdelingen, al dan niet ingegeven door bezuinigingen, jaar in jaar uit afscheid van opgebouwde kennis, ervaring én eigen investeringen. Kenniskapitaal wordt vernietigd.

De laatste tijd worden universiteiten zich enigszins bewust van hun verantwoordelijkheid voor werknemers. Zo geeft de Universiteit Utrecht met ingang van dit jaar tijdelijke docenten een aanstelling voor vier jaar. Op zich is dat een positieve ontwikkeling. Wel gaat het om aanstellingen van maximaal 0,7 fte. De bestaande praktijk dat een driekwartaanstelling geldt als een voltijdsbaan wordt dan genormaliseerd. Overigens komt die baan qua functie-aanstelling en inschaling lang niet altijd overeen met de cao. Bezwaar maken is lastig. Door de onzekere situatie heeft deze groep een zwakke onderhandelingspositie.

Even zorgelijk is de gestage loskoppeling van onderwijs en onderzoek. Deze wordt bekrachtigd door de minister van Onderwijs. In haar recente Wetenschapsbrief schrijft zij over wetenschappers: “Het is niet mogelijk om evenveel aandacht te hebben voor onderzoek, onderwijs en impact en alles even goed te kunnen. Dit willen we ook niet van mensen vragen.”

Niet alleen onderwijs

Daarin zijn wij het niet mee eens met de minister. Ook in een tijd van grote studentenaantallen kunnen de kerntaken van de universiteit worden geïntegreerd: nieuwe kennis opdoen en kennis en vaardigheden doorgeven aan volgende generaties. In een universiteit moeten studenten onderwijs krijgen van docenten die midden in het onderzoeksveld staan en die gepassioneerd kunnen vertellen over recente ontwikkelingen en inzichten. Wetenschappers kunnen op hun beurt geïnspireerd raken door studenten. Zo’n universiteit, waarin onderwijs en onderzoek elkaar versterken, kan uiteindelijk efficiënter opereren dan een neoliberaal systeem dat haar kerntaken fragmenteert.

Schaf de bekostiging op basis van studentenaantallen af, een model dat afgaat op de studiekeuze van achttienjarigen. Hevel geld over van de tweede naar de eerste geldstroom, zodat universiteiten weer ruimte krijgen voor een eigen onderzoeksagenda. Oormerk gelden, zodat deze ook echt ten goede komen aan onderwijs en onderzoek. En kom de beloften bij de invoering van het leenstelsel in 2015 na: draai de recente bezuinigingen terug en maak extra budget vrij voor het hoger onderwijs. Een land is geen kennissamenleving als het daar niet in investeert.

Tegelijk (en hier zijn we het eens met de minister) hebben universiteiten ook een eigen verantwoordelijkheid. Faculteiten en afdelingen moeten inhoudelijk gaan samenwerken. Het verschil in beloning tussen met name universitair docenten en docenten zonder onderzoekstijd (die in de praktijk vaak hetzelfde werk verrichten) moet kleiner worden. Maak échte voltijdsbanen voor net gepromoveerden en dring de overproductie van PhD’s terug. Reduceer de bureaucratie. En maak meer ruimte in curricula voor medewerkers om onderwijs te geven vanuit hun onderzoeksinteressen. Dit alles is niet meteen te realiseren, maar de huidige situatie is onhoudbaar.

Door Geertje Hulzebos en Niels Niessen

Geertje Hulzebos die de interviews maakte, is student Filosofie en Pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam en voormalig voorzitter van de LSVB. Niels Niessen is docent Literary & Cultural Analysis aan de Universiteit van Amsterdam. Beiden zijn actief in WOinActie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.