Opinie

Zulke woorden waren ooit doodgewoon

Marjoleine de Vos

De gevoeligheid voor woorden verandert mee met de tijd en de geschiedenis, maar wat dat betekent? Ik merkte dat ik schrok van de titel van een boek waarvoor geadverteerd werd: De Jodenvervolging in foto’s. Is dat dan niet correct?

Jawel, zeker. Toch deinsde ik even terug voor dat ‘Joden’.

De Russische schrijver Vasili Grossman schreef (al in 1944) over het vernietigingskamp Treblinka, waar hij met Russische troepen terecht kwam. Hij beschreef „de deinende aarde van Treblinka”, reconstrueerde hoe het toeging vanaf het moment dat de treinen op het stationnetje aankwamen waar schijnnormaliteit was aangebracht: een restauratie, loketten. De mensen werden door een gebouwtje heen geleid, kwamen op een plein – het afgrijselijke verhaal is, anders dan toen hij het schreef, bekend. Wat me opviel was dat hij steeds, met nadruk, schreef „de mensen”. De vrouwen, de mannen, de kinderen. Niet „de Joden”. En wat een verschil dat maakt. Geen groep, waarvan we weten dat die ‘nu eenmaal’ vervolgd werd, maar mensen. Jij en ik.

Niemand betwijfelt natuurlijk dat het om mensen ging, maar toch maakt het verschil als onder een foto uit de bezettingstijd staat „Twee Joden lopen over straat”, zoals je wel eens leest, of als er „twee mannen” staat. Bij twee mannen die die opzichtige sterren dragen, dringt het gevoel zich veel meer op dat er mensen werden uitgezonderd van de anderen.

In die tijd schreef of zei men ook nog doodleuk „zij is een typisch jodinnetje”. Tot ruim na de oorlog was Het jodinnetje van Elspeet, van mevrouw Van Osselen-Van Delden een veel gelezen kinderboek. Een van de hoofdstuktitels ‘De eerlijke jood’ werd pas in 1950 veranderd in ‘De eerlijke koopman’.

Het is met woorden zo: als je de dingen anders zegt, zijn ze ook anders. Zoals de Turkse schrijver Orhan Pamuk schrijft in Mijn naam is Karmozijn: „Want zo gauw iemand een paard anders begint te schilderen, verandert ook zijn waarneming van de wereld.” Afbeeldingen, of ze nu in woorden of met verf zijn, zijn niet neutraal, maar alles overheersend.

Grossman vraagt tot slot van zijn verslag over Treblinka „Hoe heeft dit kunnen gebeuren?” Hij weet het ook niet natuurlijk, maar hij schrijft wel dat de „rudimentaire racistische trekjes die komisch aandeden” en „de minachting van de Duitse kleinburger voor ‘Russische zwijnen’, ‘Pools vee’, ‘naar knoflook stinkende Joden’ [...] al die benepen praat, al dat goedkope gebral over de superioriteit van de Duitsers [...] goedmoedig bespot door journalisten en humoristische schrijvers” dat dat alles in een paar jaar tijd „van kinderachtige onzin [was] geworden tot een dodelijke bedreiging van de mensheid”. Dat dat iets is om over na te denken.

En dat is het. Want zoals je de ene kant op gevoeliger kunt worden voor woorden, ze niet langer vanzelfsprekend vindt, zo kan het ook de andere kant op. De benamingen die mensen nu niet meer willen horen klonken eens doodgewoon. Net zoals aanduidingen die mensen nu steeds gebruiken. En die het wellicht makkelijker maken om te denken: dat zijn zij. Voor hen gelden andere regels, voor hen geeft het minder. Dat zijn wij niet.

Op affiches zie je wel eens zieke kinderen bezwaar maken tegen het woord ‘kankerpatiënt’ – nee, ze zijn geen kankerpatiënt, ze hebben kanker.

Dat ligt weer net ietsje anders, alles ligt altijd net iets anders en subtieler, maar het geeft stof tot nadenken.

Taal verandert de wereld. „Ik noem je: bloemen/ ik noem je: merel in de vroegte/ ik noem je: mooi”. (Jan Hanlo)

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.