Nu we samen eten, heeft ze weer eetlust

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: even terug bij haar moeder en het landschap van haar jeugd.

Voor mijn moeder hoef ik me niet op te maken. Ze hield er nooit van als ik iets op mijn gezicht smeerde. Je bent mooi zoals je bent, zegt ze altijd. Ik neem een vroege trein. Ik weet dat ze me nu al bij het raam staat op te wachten.

Als ik haar in mijn armen neem, voel ik haar botten door de wijde trui heen. Ze is ziek geweest, kilo’s afgevallen. Mijn moeder is een vogeltje geworden. Een vogeltje met grijze veertjes op haar kopje.

„Eindelijk”, zegt ze, „eindelijk ben je er.”

Ze kookt voor me – sperzieboontjes, aardappels en een stukje vlees – en dringt erop aan dat ik genoeg eet. De stoofpeertjes voor het toetje heeft ze gekookt in witte wijn tot ze rood werden. Ik spuit een toef slagroom op haar bord. „Oh, zó moet dat”, zegt ze, als ik het hendeltje naar beneden trek. Nu we samen eten, heeft ze weer eetlust.

Elke dag wandelt ze, maar vandaag wandelt ze met haar dochter. We passeren het huis waar lang geleden mijn vriendinnetje woonde. Ik herinner me de geur die in haar overgooier hing. Soms, zomaar ergens in Amerika, ruik ik die geur, en dan zie ik haar voor me. Twee lange vlechten, een porseleinen gezichtje.

Een eindje verderop stroomt mijn rivier, de Maas. Ook al woon ik nu aan een andere rivier, ik blijf dromen over dit brede water waarover geluidloos platte vrachtschepen glijden. De zwijgzame vissers aan de kade. Mijn moeder en ik rusten uit bij de sluis. Aan de overkant van het water torenen hoog de schoorstenen van de inmiddels gesloten elektriciteitscentrale.

De ziekte heeft sporen op mijn moeders gezicht achtergelaten. Af en toe trekt er een pijnscheut door haar heen. Dan bijt ze op haar tanden. Mijn moeder klaagt niet. Ze vraagt hoe het met me gaat. Ze wil alles weten over mijn kinderen. Ze is er trots op dat ze alles nog weet van mij. De naam van mijn leraar Frans, die ik allang vergeten was.

Ze kookt nu haar eenpersoonsgerecht in het witte ovenschaaltje dat ze me gaf toen ik als achttienjarige uit huis ging. „Gooi maar niet weg”, zei ze, toen ik alles opruimde voor ik naar Amerika vertrok.

Weer thuis maakt ze de kachel voor me aan. Ik luister als ze vertelt over mijn vader. „Opdat je hem niet vergeet”, zegt ze. „Ik vergeet jou ook niet, mam”, zeg ik.

„Ik maak wat te eten voor je, voor de terugweg”, zegt ze. Ze smeert een bruine boterham met boter en belegt hem met kaas. Mijn hele schooltijd gaf ze me bruine boterhammen met boter en kaas mee in een gele trommel.

Ik trek mijn jas aan. Ik laat haar achter, mijn moeder met de sporen van een leven op haar prachtige gezicht.

„Afscheid nemen betekent nieuwe avonturen beleven”, zei de juf van de peuterspeelzaal destijds tegen mijn tweejarige zoon die steeds als ik vertrok onbedaarlijk huilde. „Wanneer jullie elkaar weer zien, heb je veel te vertellen.”

Reacties naar pdejong@ias.edu