Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Kartonnen foto

Ik zat achter een tafel met een plant en een kartonnen foto van mij en mijn moeder in een boekhandel, te wachten op potentiële lezers. Buiten was het lente, dus veel waren het er niet. Ik loerde naar het personeel, het personeel loerde terug. Een vrouw pakte mijn boek en analyseerde de foto van mij en mijn moeder.

„Jullie lijken op elkaar.”

„Het is mijn moeder”, zei ik.

„Alle twee bedroefde ogen.”

De waarheid is dat ik de dag dat die foto gemaakt werd ziek was, maar de vrouw wilde een moeizame relatie, onbegrip en onverwerkt verdriet zien. Ze las de achterflap, eerst hardop, wat behoorlijk gênant was, en daarna in stilte.

Ze sloeg het boek open op een willekeurige bladzijde.

„En?” vroeg ik, toen ze me daarna aankeek.

Ze kocht het boek niet.

De boekhandelaar kwam met een kan water. Hij gaf eerst de plant wat en schonk daarna een glas voor mij in.

Ik moest volgens afspraak nog een uur zitten.

Een lezer kwam klagen over het Boekenweekessay van Murat Isik, hij vond de opbouw van het verhaal niet goed.

„Maar eigenlijk komt het hele thema me de neus uit.”

Daarna in een half uur toch nog zes boeken gesigneerd.

Weer die boekhandelaar.

Nog een kwartier, zei hij.

„Gewoon even doorzetten.”

Mijn moeder belde. Ik mocht opnemen, hij banjerde discreet weg. „Ja zeg”, schreeuwde mijn moeder alsof ik totaal op de hoogte was van de toestand, „nou zijn mijn sleutels weer weg. En ik weet zeker dat ik ze op het antieke kastje heb gelegd. Ik snap er niets van. Op de hoek van het antieke kastje. Heb jij ze soms meegenomen?” Kort daarop besefte ze dat ze niet mijn broer maar mij aan de lijn had.

„O ben jij het. Denk je nog wel eens aan mij?”

Ik zei dat ik achter een tafeltje in een verlaten boekhandel zat, achter een karton met een foto van ons tweeën.

„Dus eigenlijk zit ik voor lul.”

Ze begreep het verkeerd.

„Ik heb hier zoveel foto’s hangen, ook foto’s van jou, maar dan zit ik toch niet voor joker? Wat bedoel je eigenlijk?”

Ik herhaalde, harder pratend, dat ik achter een geranium en een foto van mij en haar aan een tafeltje in een boekhandel zat.

Ondertussen meldde zich een vrouw, het personeel achter de verkoopbalie zocht dringend oogcontact, ik moest de verbinding maar weer eens verbreken.

„Dat was mijn moeder”, zei ik tegen de vrouw, nadat ik een boek had gesigneerd. „Ze is haar sleutels kwijt.”

Ik stond op, het was voorbij.

De tafel werd meteen leeggeruimd, een boekhandelmedewerker leegde mijn glas water in de plant.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.