Hendrik (86) dacht dat hij over een steen was gereden

Wie: Hendrik (86)

Kwestie: Vrouw op fiets overreden

Waar: Rechtbank Zeeland/West-Brabant (Breda)

De Zitting

Kort na het begin van de zitting geeft de de rechter met zijn handen aan hoe hoog ongeveer een lichaam is als je daar met je auto overheen rijdt: een centimeter of dertig.

Waarom hij dat doet, is zonneklaar. Hij wil laten zien hoe onwaarschijnlijk het is dat de verdachte niet gemerkt heeft dat hij op 8 december 2016 op een bosweg in Ulvenhout over een fietser reed, die daardoor overleed.

Want dat beweert de 86-jarige Hendrik. Hij komt breekbaar door de gang aangeschuifeld, ondersteund door een volwassen vrouw die op hem lijkt. Zijn te ruime kleding laat zien dat hij vroeger forser was.

Tweeënhalf uur nadat de aanrijding plaatsvond – de 73-jarige vrouw stierf ter plekke – belde Hendrik de politie. Hij had een melding van NL-Alert gekregen over een ongeluk met een fietser. Omdat hij op de betreffende weg had gereden, meldde hij zich als getuige. Hij had niets gezien, maar was wel over „een steen” gereden.

Toen in het gesprek duidelijk werd dat Hendrik in een zilvergrijze Golf reed, kwam hij in beeld als verdachte. Een getuige had precies zo’n auto over de vrouw heen zien rijden.

„Waarom meldde u zich als getuige als u niets bijzonders had gezien?”, vraagt de rechter.

Hendrik: „Ze zochten getuigen, Ik was daar geweest, dus ik vond het mijn burgerplicht me te melden.”

Rechter: „Of dacht u: ik ben ergens overheen gereden, misschien was ik het wel?”

„Nee”, zegt Hendrik, „dat was zo’n geringe verhoging, daar dacht ik niet aan.”

In verhoren noemde Hendrik nog de mogelijkheid dat de steen een stoeprand, vluchtheuvel of tak was.

Hendrik: „Niets wees erop dat ik een mens had aangereden. Dan zou ik toch niet doorgereden zijn? Dat doe je toch niet?” Hendrik ging naar de markt en kocht haring en sliptong, die hij thuis opat.

Dat hij de dader is, staat inmiddels wel vast. DNA onder zijn auto kwam overeen met DNA uit de handschoen van het slachtoffer.

Het steekt de nabestaanden dat Hendrik geen verantwoordelijkheid neemt. Een dochter en kleindochter van de overleden vrouw leggen een emotionele slachtofferverklaring af over hun moeder en oma, die na het zwemmen nooit meer thuis kwam.

Tweeënhalf jaar voor het ongeluk was Hendriks rijbewijs verlengd. Na zijn aanhouding heeft hij dit zelf ingeleverd. Een jaar en acht maanden na het ongeval is hij door een neuropsycholoog onderzocht. Die concludeerde dat er sprake was van ‘cognitief verval’. Hij had moeite met het verwerken van informatie en leek ‘visuele info te missen in een druk visueel veld’. Maar hoewel de deskundige het ‘aannemelijk’ vindt dat Hendrik dit ook ten tijde van het ongeluk ‘in enige mate’ had, kan ze niet concluderen of de gebeurtenis daardoor beïnvloed is.

De officier vindt dat de verdachte op z’n minst „had moeten vermoeden” dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet. „Hij wist dat op deze kruising geen vluchtheuvel of trottoir was.”

De familie van het slachtoffer is er niet op uit een 86-jarige man naar de gevangenis te sturen, zegt de officier. Ze willen wel dat vastgesteld wordt dát hij de dader was. De officier eist een voorwaardelijke boete van 2.000 euro en neemt als voorwaarde op dat Hendrik zo’n zelfde bedrag overmaakt aan Slachtofferhulp. Zijn advocaat vindt dat niet uitgesloten kan worden dat Hendrik de fietsster door een cognitieve stoornis niet heeft gezien of geregistreerd.

In zijn laatste woord zegt Hendrik: „Het is moeilijk schuld te bekennen voor iets wat je niet plaatsen kunt, iets wat gebeurd zou kunnen zijn.”

De rechtbank veroordeelt hem voor het veroorzaken van een ongeval – hij is onoplettend en onvoorzichtig geweest – maar spreekt hem vrij van doorrijden na een ongeval. Niet bewezen kan worden dat Hendrik wist dat hij iemand had overreden. Hij moet 2.000 euro betalen aan Slachtofferhulp, zoals geëist en krijgt hetzelfde bedrag als voorwaardelijke boete opgelegd.