DNA uit spuug koppelt oude tabakspijp aan slavin

Archeologie Voor het eerst is door DNA-onderzoek een archeologisch voorwerp gekoppeld aan een tot slaaf gemaakte, een vrouw met voorouders in Sierra Leone.

Stukje pijpesteel waaruit DNA is geïsoleerd.
Stukje pijpesteel waaruit DNA is geïsoleerd. Foto JAS

Uit spuugresten in een 200 jaar oude kapotte tabakspijp is een deel van het DNA gereconstrueerd van een tot slaaf gemaakte vrouw die werkte op de tabaksplantage Belvoir in Maryland. Uit de DNA-signatuur blijkt dat zij nauw verwant was aan een van grootste bevolkingsgroepen in het huidige Sierra Leone, de Mende. Het is voor het eerst dat op deze manier een verband is gelegd tussen een archeologisch voorwerp en een individuele tot slaaf gemaakte.

In hun publicatie in het mei-nummer van het Journal of Archaeological Science (online 11 maart) schrijft het internationale team van archeologen en biologen, dat al sinds 2014 bezig is met de opgraving van het slavenverblijf van Belvoir, dat dit soort DNA-onderzoek ook nu levende mensen kan verbinden met hun tot slaaf gemaakte voorouders. Tot nu toe kon zo’n verband alleen gelegd worden door slavenregisters of berichten over weggelopen slaven, documenten die door de onderdrukker waren samengesteld. Volgens de archeologen is DNA-onderzoek nu ook geschikt gebleken om vast te stellen of kleine behuizingen op plantages bewoond waren door arme witte mensen of zwarte tot slaafgemaakte. In de materiële resten zelf is dat onderscheid niet te zien. Dat het gebouw van 10 bij 10 meter waar de pijp gevonden is, in gebruik was bij een deel van de ongeveer 30 slaven op de plantage was al wel duidelijk.

Ontelbare kapotte pijpen

Dat uit een pijp DNA is teruggewonnen biedt veel perspectieven. Want bij opgravingen in Europa en de VS uit de zeventiende tot negentiende eeuw worden doorgaans ontelbare kapotte aardewerken pijpen teruggevonden. Uit Belvoir zijn er nu vier onderzocht op DNA. Bij twee werd niks gevonden, bij een derde kon alleen geconstateerd worden dat het om DNA van een vrouw ging, maar ‘artefact PS96’, een deel van een mondstuk, leverde in totaal 19 miljoen baseparen op, die in een internationale database gelinkt konden worden aan de Mende in Sierra Leone. Een link van de pijprokende vrouw met nu levende individuen is nog niet gelegd, ook door de relatief slechte kwaliteit van het paleo-DNA.

Van een aantal Afro-Amerikaanse families is bekend dat hun roots deels in Belvoir liggen. Van sommige tot slaaf gemaakten met de naam Burley zijn vrijlatingsdocumenten uit Belvoir bewaard gebleven, en er is ook een opsporingsbericht uit 1848 (beloning: 100 dollar) over een weggelopen slavin Cinderella Brogden.

Cinderella en haar man Abraham

Hoofdonderzoeker Julie Schablitksy (University of Maryland) kwam op het idee om DNA-onderzoek te gaan doen na contact met leden van deze families, zo zegt ze deze maand in The Atlantic. Eerder beschreef ze al in het blad Archaeology (november 2016) hoe Cinderella met haar man Abraham Brogden, een vrijgelatene van een naburige plantage, probeerde te ontsnappen toen de Belvoir-eigenaar haar wilde verkopen om een schuld af te betalen. Ze werden snel gepakt, Abraham kreeg drie jaar celstraf en zou zijn vrouw nooit meer zien, omdat Cinderella al was gestorven toen hij vrijkwam.

Als er meer DNA-onderzoeken komen van resten op slavenplantages zullen archeologen ook beter in staat zijn Afrikaanse voorwerpen die soms op plantages worden teruggevonden toe te wijzen aan specifieke Afrikaanse culturen, zo schrijven de onderzoekers. Nu wordt vrijwel alles als generiek Afrikaans getypeerd.