Recensie

Recensie Muziek

Gardiner houdt pleidooi voor medemenselijkheid

Recensie Dirigent Gardiner laat horen wat de muziek van Berlioz, Schumann en Brahms ons nog kan leren – vooral nu. ‘O, gij allen zijt van steen!’

Sir John Eliot Gardiner en Lucie Horsch tijdens de uitreiking van de Concertgebouw Prijs
Sir John Eliot Gardiner en Lucie Horsch tijdens de uitreiking van de Concertgebouw Prijs Foto ANP/ Remko de Waal

Ging er een heimelijke tijding schuil achter John Eliot Gardiners keuze voor de stukken van Berlioz, Schumann en Brahms die hij vertolkte met het Koninklijk Concertgebouworkest? Voor de pauze verklankten zij de mens in de wurggreep van de waanzin, waarna Brahms de wonden stelpte in een zachtmoedige Derde Symfonie.

De avond begon met de concertouverture Le roi Lear van Berlioz, een muzikale ode aan het koningsdrama van Shakespeare over de vorst Lear, wiens rijk uiteenvalt door zijn onvermogen tot zelfreflectie. Hij ontketent een machtsstrijd die het Britse volk verscheurt en aanzet tot onverdraagzaamheid. „O, gij allen zijt van steen!” roept Lear, als hij aan het slot zijn dode dochter Cordelia in zijn armen houdt. Hoe kil en vernietigend wordt een samenleving waarin alleen het eigen gelijk telt.

De zaal trilde al meteen mee onder de duistere dreiging in de contrabassen die uit de diepten onder het gebouw leken te komen. Gardiner liet daarmee horen dat het kwaad niet van de ene op de andere dag verschijnt, maar onderhuids ontkiemt en zich langzaam een weg naar de oppervlakte vreet.

De dirigent koos ervoor de grondtonen van contrabas (links), cello (midden) en altviool (rechts) als een slagader door het orkest te weven. Bij Berlioz kleurden ze het gevaar, bij Brahms belichaamden ze verzoening.

Daar tussenin zat het Vioolconcert van Schumann, geschreven in een tijd dat de componist langzaam afdreef van zichzelf en de wereld, en streed tegen de waan die hem van binnen opvrat. Violiste Alina Ibragimova, Gardiner en het orkest deden vergeefs hun best om te ontsnappen aan de onevenwichtigheid van het werk. Met strenge muzikale principes wilde Schumann de stemmen in zijn hoofd tot zwijgen brengen. Je hoort een componist, op zoek naar houvast.

Met de Derde Symfonie van Brahms verdreef Gardiner die wanhoop. Een kring van diepmenselijke warmte verspreidde zich vanuit de cello’s in het hart van het orkest. Dit pleidooi voor mededogen bouwde op naar het zachtmoedig zingende ‘Poco Allegretto’, waarna in het slotdeel de wereld weer uitbundig bloeide.