‘Nederland doet te weinig voor Poolse werknemers’

Marcin Czepelak & Renata Kowalska De Poolse ambassade attendeerde minister Koolmees en anderen op misstanden onder Poolse arbeidsmigranten. Nederland bleef grotendeels doof voor de klachten.

De Poolse ambassadeur Marcin Czepelak (rechts) en zijn consul-generaal Renata Kowalska.
De Poolse ambassadeur Marcin Czepelak (rechts) en zijn consul-generaal Renata Kowalska. Foto David van Dam

Eindelijk, zegt Marcin Czepelak. Eindelijk. De Poolse ambassadeur woont anderhalf jaar in Nederland en dit is de eerste keer dat iemand tegen hém begint over de woon- en werkomstandigheden van Poolse arbeidsmigranten in dit land. „Ik dacht dat het niemand in Nederland interesseerde.”

Czepelak ontvangt in het monumentale pand van de Poolse ambassade in het centrum van Den Haag. Hij spreekt al aardig Nederlands en wil graag reageren op de positie van Poolse uitzendkrachten die NRC beschreef. Ook de consul-generaal, Renata Kowalska, zit bij het gesprek.

Drie keer kaartte ambassadeur Czepelak de afhankelijke positie van Poolse arbeidsmigranten aan bij minister Koolmees (Sociale Zaken, D66). „Hij weet wat er speelt. Maar de Nederlandse arbeidsmarkt, met beschermde vaste werknemers en onbeschermde flexwerkers, is een binnenlandse kwestie.”

Lees ook: Hoe Oost-Europese migranten worden uitgebuit in Nederland

De ambassade wordt regelmatig geconfronteerd met de excessen van die arbeidsmarkt. Neem de vier Poolse vrouwen van in de vijftig die in de winter de ambassade belden. Consul-generaal Kowalska: „Er was een chloorlek in de kas waar ze werken. Eén vrouw viel flauw, de anderen moesten overgeven. Ze gingen de kas uit. Ze moesten naar de dokter maar hadden geen vervoer. Vier uur lang stonden ze al buiten in de kou, toen ze ons belden. Ik heb onmiddellijk die teler gebeld en gezegd: ‘Breng die mensen naar de dokter!’”

Czepelak: „De werkgever wilde het lek niet melden bij de Arbeidsinspectie en de vrouwen durfden niet. Dus diende Renata’s afdeling een klacht in. De inspectie zei: ‘Er is geen sprake van een bedrijfsongeval. En de werknemers zijn niet opgenomen in het ziekenhuis. Dus we kunnen er niets mee.’” Uit de inspectiebrief: ‘De inspectie heeft de melding geregistreerd en ziet op basis van de thans verkregen informatie af van onderzoek naar het ongeval.’

Arbeidsinspectie

Nederland kent allerlei regels voor arbeids- en woonomstandigheden, constateert de Poolse ambassadeur. „Maar de instanties hebben niet de mensen om erop toe te zien. En ze lijken zich niet verantwoordelijk te voelen voor de buitenlandse arbeidsmigrant. Het gaat om 350.000 Polen! 175.000 die hier vast wonen en 175.000 die heen en weer gaan voor seizoensarbeid.”

Probleem is dat de Arbeidsinspectie maar weinig bevoegdheden heeft, zegt de ambassadeur. Er mist een centraal loket waar Polen hun klachten kunnen indienen. „Binnen de Nederlandse wet moet het mogelijk zijn om menswaardige arbeidsomstandigheden te garanderen. Het gaat alleen om goede coördinatie: gemeentes, ministerie, Arbeidsinspectie. Ga gewoon die werkplekken bezoeken en leg dan boetes op! Dat zou een duidelijk signaal zijn.”

Consul-generaal Kowalska vult aan: „Polen zijn passief met klagen, maar dat geldt ook voor Nederlandse instanties; die zijn ook passief. We weten dat het ministerie van Sociale Zaken zich bewust is van de situatie, maar een oogje dichtknijpt.”

Sommige gemeenten voelen zich wél verantwoordelijk, hebben ze ervaren op de Poolse ambassade. Zoals Alkmaar. Czepelak: „We kregen klachten van Polen die wonen op een verlaten vakantiepark, waar ze voor vierhonderd euro per maand caravans huren. Ze waren bereid harde omstandigheden te accepteren. Maar er was helemaal geen verwarming. Dus wij hebben geklaagd bij Alkmaar en die heeft de eigenaar een boete opgelegd. De eigenaar was woedend.”

Hij heeft er begrip voor, zegt Czepelak, dat gemeenten niet de hele tijd bedrijven controleren. „Dat zou spanningen geven in de lokale economie. Maar zoals Alkmaar handelde, was heel goed, want dat geeft een signaal aan alle verhuurders.”

Onzichtbaar

Nederland heeft te maken met een „parallelle samenleving” van buitenlandse werknemers, die onzichtbaar zijn voor de meeste Nederlanders, zegt Czepelak. „Ze participeren niet in de maatschappij. Ze zijn arbeidskrachten, en niet meer dan dat.”

De uitzendkrachten worden in groepen uitgezonden naar bloemen-of groententelers en leren zo nooit echt hun werkgever kennen. Czepelak: „Er is geen persoonlijke band. Ze zijn gewoon handen. Ze tekenen een anticoncurrentiebeding waarin staat dat ze niet voor de concurrent mogen werken. In Polen gebeurt dat echt alleen bij heel hoge functies. Bovendien zijn veel van de Polen hier jong en laaggeletterd.”

Waarom stoppen de Polen niet met zwaar werk en lange uren? Czepelak: „Ze verdienen hier veel meer dan in ons land. Ze accepteren lange uren omdat ze telkens denken: ‘Ik kan dit drie maanden volhouden, of zes. Dan ga ik terug. Ze denken dat het niet belangrijk is wat er met hen gebeurt in die zes maanden. Maar als mens moet je dat niet accepteren.”

Na een werkdag kunnen de migranten twee dingen doen, zegt de ambassadeur: „Naar de sportschool of drinken. Ze zijn ver van familie en vrienden, ze zijn onthecht. Velen gaan drinken. Vergeet niet dat de werknemer uit een Pools dorp denkt dat zijn kennissen thuis hem een loser vinden als hij voortijdig terugkeert.”

Schulden

Sommige arbeidsmigranten hebben in Nederland schulden opgebouwd bij het uitzendbureau. „Het uitzendbureau zegt: ‘U kunt pas weg als u mij die 200 euro betaalt die u me schuldig bent. Wat doe je dan? Je bikkelt nog even een paar dagen door.”

De Nederlandse uitzendconstructie van seizoensarbeiders – waar fruittelers, bloemenkwekers en verpakkingsbedrijven massaal gebruik van maken – bestaat nergens in de westerse wereld, zegt Czepelak. Hij is zelf jurist. „Deze mensen hebben een civiel contract met de werkgever/uitzender. Ze zijn handel. Het is niet aan mij om Nederland te zeggen hoe ze de economie moet organiseren. Maar een fatsoenlijke behandeling van arbeidsmigranten, fatsoensnormen in de contracten, zou je wel moeten kunnen eisen.”

De uitkeringsfraude door Poolse seizoensarbeiders, dat tv-programma Nieuwsuur onthulde, dáár wil iedereen het met Marcin Czepelak over hebben. Maar de ambassadeur brengt de UWV-fraude in verband met de manier waarop arbeidswetgeving in Nederland uitpakt. Vrijwel alle Oost-Europese uitzendkrachten worden na anderhalf jaar ontslagen – dat staat al in de contracten – anders krijgen zij recht op een vaste aanstelling. „Zien we het grote plaatje niet? Het is echt een kleine groep die fraudeert. Om te frauderen moet je de regels kennen. De taal spreken. Je moet een eigen bankrekening hebben. Die hebben de meesten niet eens.”