Hoe vogels badderen. En waarom

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: het vogelbad, de pimpel- en de koolmees.

Pimpelmees neemt een bad.
Pimpelmees neemt een bad. Foto Getty Images

In de plantenbakken op het AW-balkon krabbelt de natuur weer overeind. De verzorging was er de laatste decennia bij ingeschoten, maar sinds de droogte van 2018 wordt er weer frequent bewaterd. En het werkt, vorig jaar brak al muurpeper en ganzenvoet door het mos, inmiddels groeit er ook straatgras en tuinwolfsmelk.

Tuinwolfsmelk! Euphorbia peplus, niets minder, met penwortel en eindelingse bloeiwijzen die meestal niet okselstandig zijn, precies zoals Heukels’ Flora zegt. Rijk voorzien van melksap dat mogelijk giftig is maar in ieder geval zeldzaam scherp. Wat niet klopt is de opgegeven bloeitijd, het kruid zou pas in juli mogen bloeien maar doet dat nu al. Ook de opsomming van mogelijke vindplaatsen, nooit het sterkste punt van flora’s, lijkt wat lukraak: voedselrijke grond in tuinen en akkers, op kerkhoven en langs heggen. Enfin.

Ontluikende lusthof

Halverwege de Grote Droogte is in de ontluikende lusthof ook een plantenschotel met water gezet. Het moest dorstige vogels helpen en deed dat ook. De schotel was binnen een week een druk bezochte drinkplaats en werd ook de vaste plek voor het baden van koolmezen en pimpelmezen, soms ook van heggenmussen of roodborstjes. En hij is dat gebleven.

Het AW-balkon, met koolmees. De schotel was binnen een week een druk bezochte drinkplaats. Foto Karel Knip

Er valt veel aardigs over het baden te vertellen: dat het altijd met nippen en drinken begint, dat het gepaard gaat met razendsnelle bewegingen die een eigenaardig ritselend geluid opwekken en dat het eindigt met het soort verenpoetsen dat in het Engels preening heet. Maar er zijn ook prangende vragen: draagt het badwater geen parasieten over, wordt bij het baden ook het blote vogellijf nat (en hoe droogt dat dan) en vooral natuurlijk: waar is het goed voor?

En dan blijkt dat het baden nauwelijks onderzocht is. Verifieer het bij Google Scholar: birds en bathing. Het baden is geïnventariseerd (bijna alle vogels doen het graag en vaak) en gerubriceerd (er is zwemmend baden, staand baden, duikend baden en ook douchen: wachten op regen) en lang geleden werd het tamelijk secuur beschreven voor de zilvermeeuw (Johan G. van Rhijn in Ardea, 1977) maar dat is dan ook bijna alles.

Nat vogellijf

Ja: YouTube heeft heel veel badfilms (de mooiste is die van een puttertje dat baadt in het water dat een man in zijn handen opvangt) waaronder films in slow motion die heel interessant zijn, maar hoe het water door het verenpak wordt gewerkt is toch eigenlijk niet te volgen. Het vogellijf zelf wordt inderdaad nat, maar dat schijnt ook de bedoeling te zijn.

Het is evident dat het baden een functie heeft in het onderhoud van het verenkleed, maar wat het precies met de veren doet, hoe onontbeerlijk het baden is, dat moet nog worden uitgezocht. Veren verschillen nogal in hun eigenschappen en bovendien zijn er vogels (zoals kippen en fazanten) die alleen in stof baden.

Ben Brilot (University of Plymouth) heeft aannemelijk gemaakt dat spreeuwen gestresst raken als ze niet frequent kunnen baden. Ze eten trager en worden wat schrikachtiger en vliegen ook anders dan anders, maar keiharde resultaten zijn het niet.

Winterpinda’s en rupsen

Zo kan een drinkbak op een balkon aan het denken zetten. En dan was er nog die andere vraag die de AW-redactie bezig hield: wat is toch, afgezien van kleur en formaat, het wezenlijke verschil tussen de koolmees (Parus major) en de pimpelmees (Cyanistes caeruleus)? Altijd als een koolmees besluit te gaan baden arriveert er een pimpelmees die hetzelfde wil – en andersom. De een kijkt, de ander baadt. En ze doen het op dezelfde, haastige manier, zoals er zoveel overeenkomsten zijn in doen en laten: denk aan die nestkastjes, de winterpinda’s en de rupsen, spinnen en vliegen in de zomer. Je zou zweren dat de vogels precies hetzelfde gebruik maken van hun omgeving en dat zou natuurlijk ook helemaal zo erg niet zijn als daar niet het ‘competitive exclusion principle’ was. Georgy Gause bedacht in 1934 dat populaties van dieren die hun omgeving op dezelfde manier gebruiken (voedsel, nestgelegenheid, e.d.) getalsmatig niet met elkaar in evenwicht kunnen raken omdat één van de twee populaties het altijd efficiënter doet. Die drukt de ander weg.

Scharrelen op twijgen

Het is weer zo’n regel met een ingebakken cirkelredenering, maar hij kan de waarnemer toch in het nauw brengen. In het onderhavige geval is er geen vuiltje aan de lucht: koolmees en pimpelmees bezetten wel degelijk verschillende ‘ecologische niches’, zoals dat heet. Dat is al lang geleden in Scandinavië aangetoond. De koolmees foerageert hoofdzakelijk op de stam en de zware takken van bomen, waaronder naaldbomen, de pimpelmees scharrelt uitsluitend op twijgen en twijgjes en bijna nooit in die van naaldbomen. Ook sleept de koolmees met zwaardere prooien dan de pimpelmees. Althans: in Scandinavië, in andere streken kan het anders zijn, want het gedrag van de mezen is heel kneedbaar, ook dat is in Scandinavië aangetoond.

Tore Slagsvold van de universiteit van Oslo verwisselde in een Noors bos waar het barstte van de nestkastjes de eieren van koolmezen en pimpelmezen. Koolmeeskuikens werden opgevoed door pimpelmezen en vice versa. En wat bleek: de kuikens namen het foerageergedrag van hun pleegouders over, dat heet ‘social learning’. De jonge koolmeesjes hingen opeens in de twijgen, de jonge pimpelmezen foerageerden op zware taken en sleepten met zware prooien – en bleven dat hun hele leven doen. Er zit iets wreeds in dit soort proeven, maar we leren ervan dat het mogelijk is dat ergens op deze wereld koolmezen en pimpelmezen dezelfde niche bezetten.