Veel partijen, dat is zo slecht nog niet in een democratie

Politicologie De Nederlandse politiek lijkt te versplinteren. Voor een meerderheid zijn grote coalities nodig. Erg is dat niet. Maar het gevaar is dat in het midden een flets clubje overblijft.

Kanselier Franz von Papen (links, staand met wit pochet) wil op 14 september 1932 de Duitse Rijksdag ontbinden. Hermann Göring (staand voor de voorzittersstoel) weigert Von Papen het woord.
Kanselier Franz von Papen (links, staand met wit pochet) wil op 14 september 1932 de Duitse Rijksdag ontbinden. Hermann Göring (staand voor de voorzittersstoel) weigert Von Papen het woord. Foto AFP

‘Kabinet in lastig parket gebracht’ (de Volkskrant), ‘De versplintering als onze nieuwe vijand’ (NRC), ‘Twee flanken tegelijk dienen is politiek link’ (Trouw) – zomaar wat krantenkoppen van afgelopen week. Forum voor Democratie wordt waarschijnlijk de grootste partij in de Eerste Kamer, maar zal met 13 zetels de kleinste grootste partij ooit zijn. Voor een meerderheid in de senaat heeft het kabinet straks minstens vijf partijen nodig. Die zullen zich constant moeten verdedigen tegen aanvallen van de flanken. In de pers en op het Binnenhof wordt handenwringend naar deze tendens gekeken. Wat betekent dit voor het functioneren van de parlementaire democratie?

Een rondgang langs politicologen leert dat die zich voorlopig nog weinig zorgen maken over de staat van het politiek bestel. Sterker nog: zij zien ook allerlei positieve kanten aan de door de kiezer veroorzaakte fragmentatie. Een voorbeeld: hoe meer partijen er in het parlement zitten, hoe meer kiezers zich daar vertegenwoordigd voelen.

Gezondheid van democratie

Voor wie de gezondheid van de Nederlandse democratie wil onderzoeken, biedt het standaardwerk Patterns of Democracy, van de Nederlands-Amerikaanse politicoloog Arend Lijphart (1936) een mooi vertrekpunt, zegt Barbara Vis, hoogleraar politiek en bestuur aan de Universiteit Utrecht. „Dit werk bouwt voort op zijn klassieke studie Verzuiling, Pacificatie en Kentering in de Nederlandse Politiek uit 1968. Lijpharts onderzoek ontstond uit zijn verbazing over het feit dat Nederland in de tijd van de verzuiling een goed functionerende democratie had, terwijl de theorie in de politicologie stelde dat een democratie alleen stabiel kon zijn in een homogene samenleving.”

Lijphart is toen gedoken in het fenomeen van het polderen, zegt Vis. „Nederland is geen meerderheidsdemocratie, zoals het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, maar een consensusdemocratie. En zo’n democratie die gericht is op het bereiken van overeenstemming, blijkt ook prima te functioneren. Later heeft hij zijn onderzoek uitgebreid naar andere landen met de vraag: welk bestel is nu beter, een systeem met weinig partijen of met veel partijen?”

Ongelukkige verliezers

Op die vraag zijn verschillende antwoorden mogelijk, zegt Vis, want hoe definieer je ‘beter’? „Consensusdemocratieën zijn ‘kinder and gentler’, aardiger en zachter dus. Ze presteren beter als het gaat om de ontwikkeling van een verzorgingsstaat, ze zijn vriendelijker voor minderheden en voeren minder en korter oorlog. Daar staat tegenover dat in een meerderheidsdemocratie sneller besluiten worden genomen en dat de regering gemiddeld genomen ook stabieler is.”

Middenpartijen kunnen zich laten meeslepen naar de extreme kant

Ingrid van Biezen hoogleraar vergelijkende politicologie

Sindsdien is er veel onderzoek gedaan dat voortborduurt op Lijpharts werk. Vis: „Zo is bekeken hoe het zit met de tevredenheid van kiezers in de verschillende systemen. In een meerderheidsstelsel zijn mensen die op de winnaar hebben gestemd over het algemeen blijer met hun democratie dan mensen die in een consensusdemocratie voor de winnaar kozen. Daar staat tegenover dat de verliezers in een meerderheidsstelsel veel ongelukkiger zijn. In een consensusdemocratie als de Nederlandse kan je partij immers de verkiezingen verliezen en toch nog in de regering terechtkomen. Dat dempt de teleurstelling over een nederlaag. Nadeel is wel dat regeren met veel partijen moeilijker is. Ook is het zo dat een toename in het aantal effectieve politieke partijen – dit is een maat die niet alleen het absolute aantal politieke partijen telt, maar ook rekening houdt met hun omvang – bij burgers zorgt voor minder positieve sentimenten over hun democratie.”

Positieve gevoelens

Dat laatste is vorig jaar nog eens gebleken uit een groot onderzoek naar het functioneren van 58 verschillende democratieën tussen 1990 en 2012, zegt Vis. „Zo zit je dus met de paradox dat betere representatie door een zo proportioneel mogelijk stelsel leidt tot positieve gevoelens over een democratie, terwijl een veelpartijensysteem tegelijk kan leiden tot ontevredenheid over die democratie vanwege bestuurskracht en mogelijkheden om de regeringspartijen tot verantwoording te roepen.”

De veelpartijendemocratie heeft dus voor- en nadelen, hoewel Tom van der Meer, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, benadrukt dat de gevonden effecten in dit soort onderzoeken niet heel groot zijn. „Voor de verminderde effectiviteit van regeringen in een consensusdemocratie is zelfs nog geen overtuigend bewijs geleverd, vind ik.”

Wat Van der Meer betreft gaat het in een democratie ook niet om efficiëntie, maar om de vreedzame machtsoverdracht tussen opeenvolgende regeringen. „Daarom moet je je afvragen in welk systeem de kans groter is dat de machthebbers de democratie – of delen ervan – afschaffen. Dat lijkt eerder het geval te zijn in een land met weinig partijen in het parlement. Kijk maar naar landen als Hongarije en Turkije, dat zijn democratieën waar één partij het voor het zeggen heeft en waar de rechtsstaat flink onder druk staat.”

Democratische smeerolie

Van der Meer is dan ook niet somber over het feit dat er steeds meer partijen in het Nederlandse parlement zitten. „Je zag hoe handig dat was toen Rutte I viel en Rutte II zijn meerderheid kwijtraakte. Toen werd de coalitie overeind gehouden door die kleine partijen. Je kan ze beschouwen als de smeerolie van onze democratie.”

In het buitenland worden de gebeurtenissen in Nederland met belangstelling gevolgd, want ook daar zijn ontwikkelingen aan de gang die door politicologen wel de ‘Dutchification of politics’, de vernederlandsing van de politiek, worden genoemd, zegt Van der Meer. „De trend richting fragmentatie – of nivellering, zoals ik het liever noem – zie je op kiezersniveau zelfs in een land als het Verenigd Koninkrijk. Vanwege het districtenstelsel met zijn winner takes all-principe heeft dat zijn weerslag nog niet in het parlement, maar ook daar stemmen steeds meer mensen op de partij die het beste overeenkomt met hun politieke overtuigingen. Vanuit beleidsperspectief gooien ze hun stem weg, maar ze stemmen oprecht. Dat lijkt me winst.”

Goudlokje

Het idee dat vooral mensen in maatschappelijk marginale posities zich door nieuwe partijen laten verleiden, is door onderzoek inmiddels gelogenstraft, zegt Van der Meer. „Het zijn juist de middengroepen – met een gemiddelde opleiding en een gemiddeld inkomen – die het meest heen en weer gaan tussen partijen.”

Als de veelpartijendemocratie relatief veel voordelen heeft en maar weinig nadelen, gaan we dan toe naar een toekomst met nog meer partijen? En wanneer worden het er te veel? Volgens Ingrid van Biezen, hoogleraar vergelijkende politicologie aan de Universiteit Leiden, is het moeilijk om voor de parlementaire democratie de „Goudlokje-waarde” vast te stellen: wat is precies genoeg, en niet nét te veel of te weinig? (Naar de analogie van het meisje dat bordjes pap van verschillende temperaturen at.) „Als de fragmentatie te groot wordt, dan gaat het niet meer. Klassiek voorbeeld daarvan is de Franse Derde Republiek (1870-1940). Daar zaten zoveel partijen in het parlement dat het nagenoeg onmogelijk werd een stabiele regering te vormen.”

Een parlement met tientallen verschillende partijen is sowieso geen realistisch perspectief, denkt Tom van der Meer. „Er is onderzoek gedaan waarbij een grote groep fictieve politici in een computersimulatie allemaal de opdracht kregen om hun doelen te verwezenlijken. Daar zag je dat er al heel snel samenwerkingsverbanden ontstonden, omdat die de meeste kans boden op het behalen van succes.”

Meeslepen naar het extreme

Toch moeten we de mogelijke gevaren van verdere politieke versplintering onder ogen zien, vindt Ingrid van Biezen. „Het kan erop uitdraaien dat er alleen een klein clubje partijen in het midden overblijft dat regeringsbeleid wil dragen. Daardoor wordt de centrifugale kracht steeds groter die flankpartijen op het systeem uitoefenen. Uiteindelijk kan dat ertoe leiden dat ook de middenpartijen zich laten meeslepen naar de extreme kant. De ondergang van de Duitse Weimar-republiek is hiervan het bekendste voorbeeld. Zover zijn we in Nederland natuurlijk nog lang niet.”

Feit is dat partijen die eenmaal in de regering hebben gezeten eerder geneigd zijn om na een verkiezing wéér te gaan regeren, zegt Vis van de Universiteit Utrecht. „De push richting het pluche is kennelijk sterker dan de behoefte vast te houden aan de eigen idealen. Dat heeft tot gevolg dat op een gegeven al het pragmatisme in het midden zit en al het idealisme aan de flanken. Er komt dan een moment dat de middenpartijen íets moeten doen om een politiek profiel te behouden. Wie dan niet naar de marges wil, moet zich bezinnen op andere manieren om ideeën om te zetten in beleid. Lukt dat het beste door in een coalitie met vijf partijen te gaan zitten, of moet je toe naar een situatie met een minderheidskabinet waar je per onderwerp tracht invloed op het beleid uit te oefenen? Politiek Den Haag is huiverig voor het minderheidskabinet, maar je ziet in Scandinavië dat een land zo prima te besturen valt. Misschien is dat ook voor ons de toekomst.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.