Opinie

Nog meer Baudologie in de krant: tussen analyse en etiketten plakken

De ombudsman

Is Spengler soms besmettelijk? Na de zege van Thierry Baudets Forum voor Democratie vlamde ook ter linkerzijde de culturele ondergangsretoriek op: ‘De fascisten hebben gewonnen’, kopte een columnist in de Volkskrant. Ook in NRC gingen auteurs volgens sommige lezers met piepende banden door de bocht: ze namen aanstoot aan een pastiche van Ruben L. Oppenheimer op Charlie Chaplins The Great Dictator (1940), met Baudet in de rol van Chaplin in de rol van Hitler. Of aan de column van Tommy Wieringa die, kennelijk even vergeten dat Nederland al negen jaar wordt geleid door een kinderloze liberaal, de „kinderloze ondergangsdenker” hekelde.

Wat die cartoon betreft: Baudet wordt daarin niet geïdentificeerd met Hitler, maar afgebeeld als een komiek die een dictator speelt. Waarmee de tekenaar inspeelt op de vaker gestelde vraag hoe serieus de „Haagse dandy” moet worden genomen.

Reactionair chauvinisme

Tal van andere lezers vonden de krant juist veel te tam, oog in oog met een nieuw reactionair chauvinisme, dat sterk verwant is aan extreem-rechts. „Benoem nu eens het racisme van Baudet”, schreef een van hen, en hou op met „normaliseren”. Tot het laatste rekende hij ook een interview met de Russische filosoof Doegin, die in Baudet „een ticket voor de toekomst” ziet. Nu zou ik zelf loftuitingen van een „ultra-reactionair” die zich „jarenlang” afgaf met „fascistische denkers” niet zo gauw omschrijven als ‘normalisering’ – maar het punt is duidelijk.

Waar staat de krant? Het Commentaar waarschuwde voor Baudets „zorgwekkende taalgebruik”, dat aansluit bij „dubieuze groepen”. Dat laatste mag duidelijk zijn, de etikettering is een lastiger kwestie. Met name ‘fascisme’ is al decennia een scheldwoord dat zakelijke analyse in de weg staat (eerst vooral vanuit linkse kringen, nu ook op rechts, met provocatieve termen als ‘islamofascisme’ of ‘klimaatfascisme’). De inhoud van de term is in Nederland bovendien lang versmald tot het oorlogsverleden en nazisme – waarmee de discussie meteen gesloten is. Daar komt bij dat Baudets pathetische (in de zin van: gezwollen) wereldbeeld, vol soldateske retoriek, wordt gekleurd door eclecticisme en een bij alt-rechts beproefde omgang met ‘ironie’. En: wat voor Baudet geldt, gaat ook nog niet per se op voor zijn partij of kiezers.

Zowel de huidige als de vorige chef van de politieke redactie pleit daarom allereerst voor „nadrukkelijk onderzoeken” en „compromisloos graven”. Oud-chef Den Haag René Moerland schaart Baudet onder de eigentijdse „nationaal-populisten”, een term die NRC sinds enkele jaren gebruikt voor Europese bewegingen die zich keren tegen immigratie en een ‘volksvijandige elite’. De huidige chef Guus Valk spreekt liever van „identitair-rechts”, een beweging die in de VS al jaren groot is. Baudets Forum kan in dat spectrum bovendien nog opschuiven. Het is ook nog de vraag hoe de chemie zich ontwikkelt tussen Baudet en zijn partij, en of zijn zege wel, zoals her en der wordt gedacht, kan worden afgedaan als een zoveelste ‘signaal’ aan de gevestigde orde.

Moderne onderzoekers als de Brit Roger Griffin of Robin te Slaa (auteur van Wat is fascisme?) onderstrepen dat extreem-rechts en fascisme bredere, meer heterogene en structurele Europese verschijnselen zijn dan alleen de voor Nederland zo bepalende Duitse variant. Kenmerken, onder meer: afkeer van het ‘bloedeloze’ liberalisme; de belofte van nationale wedergeboorte onder leiding van een nieuwe elite; romantisering van het eigen (zuivere) volk, al dan niet in samenhang met antisemitisme en rassenwaan; een verheerlijking van autoritair leiderschap en geweld, en tot slot een utopische hang naar een nieuwe beschaving of zelfs mens.

Oikofoob futurisme

Natuurlijk zal dat hele pakket nooit opnieuw identiek thuisbezorgd worden, rechtstreeks vanuit de jaren dertig. Maar volgens Griffin en anderen keren elementen uit het oude fascisme, in gemuteerde vorm, terug bij Europees extreem-rechts. Dat kan ook heel goed, want het fascisme kende geen naadloos afgeronde ideologie: handelen is immers altijd belangrijker dan denken. Reden waarom voor zulke nieuwe vormen ook wel de term ‘post-fascisme’ in zwang is: verwant, maar niet hetzelfde.

En Baudet? In kranten, op sites en op de radio is zijn gedachtegoed al herhaaldelijk besproken, onder meer als een „afrekening’’ binnen de elite waar Wilders en Fortuyn nog niet in slaagden: van links naar rechts. Eén ding lijkt zeker: Baudets ‘nette’ conservatisme spreekt kennelijk veel kiezers aan, maar hij is toch in de eerste plaats een conservatieve revolutionair. Met in zijn romantisch-reactionaire Sturm und Drang een wit-identitaire onderstroom. Niet alleen dat „boreaal” valt daaronder, of de „homeopathische verdunning” van het volk , maar ook de belofte van nationale wedergeboorte onder leiding van een nieuwe elite, of zijn belangstelling voor Le Pen (senior), Spengler en aanverwante denkers.

Fascisme-kenner Te Slaa, die ik om raad vroeg, wil voorzichtig zijn met etiketten maar vindt dat Baudet in elk geval „een flinke stap verder” gaat dan Fortuyn of Wilders. Met zijn „ondergangsoptimisme” (zoals Marc Chavannes het noemde), maar bijvoorbeeld ook met de kwalificatie van de bestorming van een gemeentehuis tijdens de vluchtelingencrisis als „noodweer” tegen de „schrijftafelmoord” van de regering op de eigen bevolking.

Tegelijkertijd opereert Baudet binnen het parlementaire stelsel, bepleit hij bindende referenda en koestert hij geen „utopisch vergezicht” op een nieuwe beschaving. Integendeel, Baudet wil terug naar het zelfverzekerde Europa van voor 1914 of – een rechts-reactionaire klassieker – dat van voor de Franse Revolutie. In een interview in Die Weltwoche noemt hij het fascisme een vorm van „oikofoob futurisme” en zet hij het af tegen het door hem gewenste „traditionalisme”. Al kun je volhouden dat ook die hunkering om een roemrucht Europees verleden in ere te herstellen – tot en met de Grieken en Romeinen – een revolutionair-utopische lading heeft. Kortom, zegt fascisme-kenner Te Slaa: „Hij is bekend met het gedachtegoed en flirt er mee. Maar er zijn ook grote verschillen en hij slaagt erin zich redelijker te presenteren dan Wilders.”

Moet een krant als NRC, met liberale en pluriforme Beginselen (1970), daarin stelling nemen? Ik zou zeggen: jazeker. Niet met ondergangspaniek, maar wel met kritisch onderzoek en scherpe analyse van dit nieuwe, blanke elite-nationalisme.

Uitkomst van beraad op de Haagse redactie, vertelt Valk, was dat de krant zich niet wil verliezen in ‘enerzijds-anderzijds journalistiek’ óf driftig etiketteren, maar wil mikken op diepgravende berichtgeving en analyse van het denken en doen van Baudet en zijn beweging. Niet simpelweg feiten ‘doorgeven’, maar onderzoeken en analyseren.

Dat lijkt me een goed uitgangspunt. We zijn niet terug in de jaren dertig, het zal best – maar elke tijd heeft zijn eigen extremen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.