Thomas Schlijper

‘Nederland voelt voor Joden als een zinkend schip’

Leven met jodenhaat Ook in Nederland neemt het antisemitisme toe. Een moeder uit Hilversum vertelt over de ervaringen van haar gezin.

Het was de nacht na Sinterklaas, 2016. Ze lag boven te slapen toen haar honden aansloegen. „Ze gromden niet, maar blaften”, zegt ze. „Oren gespitst, snuiten tegen de ruit, alsof ze erdoorheen wilden vliegen.”

Ze keek uit het raam van haar vrijstaande woning aan de rand van Hilversum. De auto, het tuinhek, de bomen, het struikgewas: alles lag er vredig bij. Op de brommer die langs reed sloeg ze geen acht – jongeren tuffen ’s nachts wel vaker door de straat. Dus toen het geluid wegstierf, en de honden weer in hun manden lagen, trok ze het dekbed over zich heen.

De volgende dag stond ze vroeg op. Als zelfstandig ondernemer werkt ze zestig uur per week. Ze is alleenstaand. Haar moeder, die in het huis naast haar woont (op dezelfde familiegrond) past op de vier kinderen. De jongste is zes, de oudste dertien.

Die ochtend liep haar moeder mee naar haar auto om nog wat praktische zaken door te nemen. „Kijk nou!”, schreeuwde ze. Met een priem, of ander scherp voorwerp, was een fors hakenkruis in de motorkap gekerfd. Ook op de rest van de gloednieuwe wagen zaten krassen, en alle banden waren lekgestoken.

Ze schrok zich rot. Niet alleen omdat ze wist dat het om een tegen hen persoonlijk gerichte actie ging – ze heeft een Joodse achternaam en aan de deurpost van haar huis hangt een mezoeza, een traditioneel Joods voorwerp – maar ook omdat ze besefte hoe het gedaan was. Iemand was over het tuinhek geklommen en had zo’n veertig meter over privé-terrein gelopen. „Hij of zij moet geweten hebben dat de honden ’s nachts binnen blijven,” zegt ze, „want overdag durft bijna niemand het terrein op. De kans is groot dat ons huis in de gaten is gehouden.”

Camera’s rond het huis

In 2018 telde het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) in Nederland 19 procent meer gevallen van antisemitisme dan in 2017. Er werden 135 incidenten geregistreerd en 95 meldingen van antisemitisme online. „Enerzijds kun je zeggen dat we de zaak niet moeten overdrijven”, zegt opperrabbijn Binyomin Jacobs. „Anderzijds dat we onze ogen niet voor de realiteit mogen sluiten. Het geval van deze moeder staat niet op zichzelf; ik ken er meer.”

De vrouw uit Hilversum wil om veiligheidsredenen niet met haar naam in de krant. Weinig andere Joden zullen over hun ervaringen met antisemitisme willen vertellen, denkt ze, zelfs niet anoniem.

Bang aangelegd is ze niet, maar bij de aanblik van het hakenkruis op haar auto gilde ze het uit. Haar opa van moederskant zat tijdens de oorlog jaren in een molen verstopt. Als enige van zijn familie overleefde hij de Shoah. „Hij heeft mij vaak verteld over het geluid van die wieken. Gek werd hij er van.”

De een riep ‘Heil Hitler’, de ander zei dat mijn zoon ‘dood moest’, omdat ‘Hitler hem was vergeten’

Haar opa nam haar als kind mee naar de Portugese synagoge in Amsterdam. Hij vierde elke vrijdag sabbat en vastte met Jom Kipoer. „Van hem heb ik het jodendom meegekregen, al ben ik lang niet zo gelovig als hij. Zijn beide ouders waren Joods, de mijne niet. Dat werkt toch door in de beleving.”

In het wegrestaurant waar we elkaar ontmoeten vertelt ze over de impact van het incident met de auto. Haar oudste kind – hij was net tien – kwam die ochtend op haar gegil afgerend. „Wie heeft dat gedaan”, vroeg hij. Waarop zij zei: „Een idioot”. Ze kon niet goed aan hem uitleggen waarom iemand zoiets doet.

Het tuinhek is inmiddels dubbel zo hoog en er staan camera’s rond het huis. Maar ruim twee jaar later is ze nog altijd „super-alert”. „Als er een brommer langs rijdt sta ik nog net niet met een hockeystick in de tuin. Met name in het eerste jaar sliep ik slecht. Overal waar ik kwam dacht ik: ben jij het? Ben jij het?”

Wat de zaak bemoeilijkt is dat de dader nooit is opgespoord. Aanvankelijk wilde de politie niet langskomen, maar toen het CIDI tussenbeide kwam om uit te leggen dat het om meer ging dan alleen vandalisme, gebeurde dat alsnog. „Een antisemitisch aspect van een ogenschijnlijk ander soort misdrijf wordt door agenten vaak niet als zodanig herkend”, zegt CIDI-medewerker Aron Vrieler. „Daardoor neemt de politie – niet intentioneel – zaken in eerste instantie niet op.”

Islamitische klasgenoot

Een paar maanden na het incident met de auto werd haar oudste zoon in de kleedkamer van het gymlokaal van zijn basisschool aangesproken door een islamitische klasgenoot. „Hij zei dat hij Hitler ging bellen om mijn zoon te laten vergassen. Zonder schroom, vanuit het niets.”

Ze weet nog precies hoe haar zoon die dag thuiskwam. „Heel stilletjes, héél triest. Maar hij probeerde het voorval gelukkig niet te verbergen.”

Het bleef niet bij dat ene incident en die ene jongen; andere leerlingen volgden. „De een riep ‘Heil Hitler’, de ander zei dat mijn zoon ‘dood moest’, omdat ‘Hitler hem was vergeten’.”

Ze stapte naar de schooldirectie en eiste een groepsgesprek met de leerkracht, de pesters, hun ouders en haar zoon. Maar de directeur zag er niets in. „Ze vond het heel erg wat er gebeurde, maar wilde zélf met de ouders en de leerlingen gaan praten.”

Er werd niet bij vermeld dat het symbool voor hém bestemd was, maar de antisemitische teksten die leerlingen daarna naar zijn hoofd slingerden, lieten niets te raden over

Die aanpak faalde. Een groepje van vier, vijf kinderen bleef haar zoon in de twee jaar die volgden lastigvallen. In de kleedkamer, op het schoolplein, in de klas. „Op een gegeven moment vroeg hij wat er zo erg is aan Joods-zijn. Dat vond ik heel confronterend. Ik ben met hem gaan zitten om over het oorlogsverleden van mijn opa te vertellen.”

Afgelopen september ging haar zoon naar de brugklas van een christelijk college. Drie weken later kwam hij thuis met het bericht dat er een hakenkruis op de muur bij zijn bureau was gekerfd. En weer een maand later zette iemand een hakenkruis in de groepsapp van zijn klas. „Er werd niet bij vermeld dat het symbool voor hém bestemd was, maar de antisemitische teksten die leerlingen daarna naar zijn hoofd slingerden, lieten niets te raden over.”

Uit recente correspondentie met een van de afdelingsleiders van de school, die deze krant heeft ingezien, blijkt hoe de school de zaak benadert. Er is „een herstelgesprek” gevoerd tussen haar zoon en „de betrokkenen”, waarna ze elkaar de hand hebben geschud. De pesters hebben een presentatie gehouden „over wat opmerkingen met anderen kunnen doen” en beloofden „dit niet meer te doen”. De afdelingsleider schrijft aan de moeder dat de pesters „zich niet voldoende bewust zijn” van de impact van hun woorden.

Murw

De moeder vertelt dat het pesten nog steeds doorgaat. Haar zoon zit nu naast een jongen die voortdurend ‘Heil Hitler’ roept. Een meisje scheldt hem uit voor ‘jodensoep’. Haar zoon is „murw”.

Ze heeft geprobeerd hem op een andere school te plaatsen. Maar toen ze vertelde waaróm ze hem wilde overplaatsen, kreeg ze te horen dat dat zinloos was. „Er staat hier ook een hakenkruis op de tafel”, zei de coördinator van de betreffende school volgens haar. „Dat gaan we er écht niet vanaf poetsen.”

Ze maakt zich zorgen over haar zoon, die ze steeds moeilijker kan doorgronden, en over de toekomst van haar drie andere kinderen. „Ze zijn nog jong, maar wie garandeert mij dat hen niet hetzelfde te wachten staat?” Nederland voelt voor Joden als een zinkend schip, zegt ze. „Ik doe er alles aan om te voorkomen dat ik de laatste passagier ben.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.