Opinie

    • Frits Abrahams

Laat Cliteur maar komen

Deze week ontstond enige deining aan de Rijksuniversiteit Groningen rond de komst van Paul Cliteur naar een ‘Nacht van de Filosofie’, georganiseerd in samenwerking met de Faculteit Wijsbegeerte.

Lodi Nauta, de decaan wijsbegeerte, stuurde een mail naar zijn faculteit waarin hij beloofde dergelijke controversiële uitnodigingen voortaan „transparanter en beter bespreekbaar” te maken. Er waren nogal wat bezwaren tegen de komst van Cliteur gerezen. Zo had Martin Lenz, het hoofd van de vakgroep geschiedenis van de filosofie, geschreven dat mensen als Cliteur op „heel redelijke wijze heel belachelijke dingen beweren, moeten we zulke sprekers een podium geven?”

Het stormpje ging snel liggen toen de universiteit liet weten dat Cliteur „gewoon welkom” is. Inmiddels had Cliteur een lange, boze brief naar de rector geschreven met de vraag: „Rector, hebt u al eens een gesprekje gehad met decaan Nauta over academische vrijheid?”

Reuze dom, natuurlijk, dat geprikkelde gedoe op de faculteit wijsbegeerte. Wat is er tegen controversiële sprekers? Cliteur is bovendien niet een of andere filosofische nobody; hij is filosoof en rechtsgeleerde aan de Leidse universiteit en wordt lid van de Eerste Kamer voor Forum voor Democratie. Zo’n man moet je toch aardige vragen kunnen stellen?

Laat ik alvast een onderwerp aanreiken voor die avond. Alle bezoekers zouden tevoren even de column moeten lezen die Cliteur op 2 augustus 2017 op de rechtse website ThePostOnline publiceerde. Rob Wijnberg reageerde er al een dag later voor De Correspondent kritisch op. Het ging over ‘occidentofobie’, zoals Cliteur „de haat tegen de westerse cultuur” noemde. Thierry Baudet, die bij Cliteur promoveerde, noemde het ‘oikofobie’, maar ze bedoelen er hetzelfde mee. Ook verder zijn er veel overeenkomsten tussen deze column van Cliteur en de omstreden overwinningsspeech van Baudet.

Net als Baudet voorspelde Cliteur een roemloze ondergang, „zoals het Romeinse Rijk”, van de westerse landen indien tegenmaatregelen uitbleven. Hij vond dat de occidentofobie werd aangewakkerd door „de overmatige beklemtoning van de minder goede kanten van de westerse cultuur: nadruk op het slavernijverleden, kolonialisme, twee wereldoorlogen et cetera”.

„De situatie is dus werkelijk kritiek”, constateerde hij. Zijn oplossing: de inzet van het strafrecht. Occidentofobische delicten moeten worden bestraft, occidentofobische partijen moeten worden verboden of krijgen een cordon sanitaire en adverteerders in occidentofobische kranten worden gewaarschuwd „dat zij een bijdrage leveren aan de Untergang des Abendlandes”.

Dus wie te veel over het slavernijverleden, kolonialisme en de wereldoorlogen (et cetera) praat of publiceert, weet wat hem te wachten staat als het aan Cliteur ligt. Het gevang, een algeheel verbod, een economische boycot. Dat zal de klootzakjes die de westerse samenleving ondermijnen, leren.

Hoe zou de hoogleraar deze strafmaatregelen voor andersdenkenden willen rijmen met de academische vrijheid die hij bij de Groningse rector opeist? En zal hij Baudet, zijn partijleider en vroegere discipel, met kracht aansporen om deze maatregelen via het parlement te verwezenlijken?

Het kan in Groningen vast een boeiende filosofische nacht worden.