Vrouwkje Tuinman: „Een paar maanden voor zijn dood schrijft hij letterlijk dat hij in bed ligt en dat de politie de deur moet openbreken. En zo is het ook gegaan.”

Frank Ruiter

Vrouwkje Tuinman: ‘Hij wilde zo graag zijn oude leven terug’

Interview Na de dood van F. Starik maakte Vrouwkje Tuinman zijn boek over zijn moeder af. Het is ook het afscheid van een man die niet kon leven zonder drank en sigaretten.

Vrouwkje Tuinman zat een verhaal te schrijven over slapeloosheid en F. Starik lag te lezen bij de appelboom. Mei 2017. „Daar”, zegt ze en ze wijst naar buiten, naar haar nog kale moestuin. Ja, een appelboompje, al een beetje in blad. „Frank keek op en zei dat hij iets moest bekennen. Hij had al dagen pijn op zijn borst. Dan moet je naar de dokter, zei ik.”

We zitten in haar huisje op volkstuinpark ‘Ons Lustoord’ in Duivendrecht, langs de A2 en onder de vliegroute naar Schiphol. Ze heeft er geen last van, zegt ze.

De dokter verwees F. Starik naar het ziekenhuis en daar werd hij met spoed op tafel gelegd voor een dotterbehandeling. Op het moment dat de buis met het ballonnetje via zijn lies naar de kransslagader zou worden gebracht om de vernauwing op te rekken, kreeg hij een hartinfarct.

Reanimatie, operatie, bypass.

„Ik zat”, zegt Vrouwkje Tuinman, „op de gang een tekst af te maken waar ik net nog met Frank aan had zitten werken toen de cardioloog door de klapdeuren kwam met in zijn handen een spuugbakje waar Franks bril in lag en één sok. Hij reikte het me aan terwijl hij probeerde te zeggen wat hij moest zeggen, maar ik wist al: dit is niet goed.”

F. Starik werd in coma gehouden, bij een temperatuur van 34 graden, en het was maar zeer de vraag of hij nog wakker zou worden. En zo ja, hoe. Hij was een halfuur effectief dood geweest.

Maar na een paar dagen deed hij zijn ogen open. Hij herstelde goed genoeg om weer te gaan schrijven – over zijn dementerende en steeds maar niet stervende moeder, over zijn pogingen om van de drank en het roken af te komen, over de hunkering die maar niet minder wilde worden.

Ik had Frank ontmoet op Lowlands

Vrouwkje Tuinman zou de teksten na zijn dood in zijn computer vinden en er een boek van maken: Klaar, afscheid van moeder en zoon. Het is verschenen in de Boekenweek.

Ze kregen wat met elkaar op 16 maart 2003 bij het Gala van de Dood – toen het thema van de Boekenweek. Vrouwkje Tuinman was nog journalist en presentator, organisator van literaire festivals. Het jaar daarop zou ze als dichter debuteren met de bundel Vitrine. Weer een jaar later publiceerde ze haar eerste roman, Grote acht, over een meisje dat in haar dromen haar tirannieke en altijd woedende vader vermoordt.

F. Starik was al veel langer dichter en onder andere bekend van de Eenzame Uitvaart: dichters die voor eenzaam gestorven mensen een persoonlijk gedicht schrijven en hen naar hun door de gemeente betaalde graf begeleiden. Hij was ook beeldend kunstenaar en schrijver. Klaar kan gelezen worden als deel twee van zijn roman Moeder doen uit 2013.

„Ik had Frank ontmoet op Lowlands”, zegt Vrouwkje Tuinman, „en sindsdien mailden we, veel en intiem, in de zin van persoonlijk. Niet erotisch geladen. Op het Gala van de Dood stond hij achter me en legde zijn kin op mijn schouder. En die kin bleef daar. En ik liet hem daar. De volgende dag mailde hij: zo, wij houden dus van elkaar.”

Zestien jaar leeftijdsverschil, maar ze gelooft niet dat ze in hem een vaderfiguur zag. „Voor mij was hij niet vaderlijk.” Ja, haar eigen vader was tiranniek en woedend op de hele wereld, en dertig jaar ouder dan haar moeder, voor wie hij zijn eerste vrouw en drie zoons had verlaten. Het was eerder zo, zegt Vrouwkje Tuinman, dat Frank ook een woedende en tirannieke vader had.

Frank Ruiter

Die, schreef hij in ‘Moeder doen’, op een dag verdween door een gat in de vloer.

„Voor Franks gevoel, ja. Maar zijn vader is nooit echt weggegaan. Sterker, zijn vader heeft exact hetzelfde heeft meegemaakt als Frank, op exact dezelfde leeftijd. Een hartinfarct tijdens het dotteren. Alleen heeft hij daarna nog zeven jaar geleefd, invalide.”

Waarom waren jullie vaders zo boos?

„Waarom zoveel mensen boos zijn. Ze hadden een ander leven willen hebben. Rijker, machtiger, succesvoller. Ze voelden zich miskend en tekortgedaan. Als kind dacht ik dat het mijn schuld was.”

De vader van Vrouwkje Tuinman had een uitgeverij en drukkerij voor vakbladen, onder andere De Sportvisser. Haar moeder was zijn secretaresse geweest. De vader van F. Starik was vertegenwoordiger in kantoormeubilair.

Dat enorme roken en drinken van Frank, deed hij dat al toen je hem leerde kennen?

„Toen was het veel erger. Of nee, het roken was altijd al erg, dat kon niet erger. Maar het drinken, dat was echt verschrikkelijk. Het begon met een paar zware bieren, daar gingen twee flessen wijn achteraan, en dan ging hij over op whisky. Als die op was, werd het weer bier. Zo ging het in die tijd elke dag, later werd het wel minder. Wat er zo tricky aan was: hij begon pas ’s avonds en hij functioneerde normaal. Sloeg niemand in elkaar en werd zelf ook niet in elkaar geslagen. Een lieve vader voor zijn zoon en zeer productief in zijn werk. Frank was een volstrekt normaal functionerende alcoholist. Maar wel een alcoholist.”

En dat verdroeg je?

„Ja. Frank was autonoom en dat ben ik ook. We accepteerden de verschillen. Ik drink bijna niet en ik ben vegetariër, hij at vlees voor drie. Hij was een avondmens en ik ben een ochtendmens. We hinderden elkaar er niet mee, ook omdat we nooit hebben samengewoond. Dat wilde ik niet en uiteindelijk vond hij het prima zo. Hé? Hoorde ik daar nou wat?” Ze staat op om uit het raam te kijken. De kat heeft zich onder het tuinhuisje verstopt en misschien komt hij weer tevoorschijn. Maar nee. „Een paar jaar terug was hij ziek en kroop hij onder het huisje om dood te gaan”, zegt ze. „Frank heeft hem er nog onder vandaan gejaagd met de tuinslang.” Dat was niet leuk geweest. „Onder kunstenaars”, zegt ze dan, „is dat roken en drinken heel gewoon. Ik ben de uitzondering.”

Het begon met een paar zware bieren, daar gingen twee flessen wijn achteraan, en dan ging hij over op whisky

Je had Frank wel na zijn hartinfarct zijn bankpasjes afgepakt om te voorkomen dat hij alcohol en sigaretten zou kopen.

„Dat was nodig omdat de verslavingszorg maar niet op gang kwam en ik moest iets. Hij woonde boven een Albert Heijn en een slijter, dus ja, er was maar een halve minuut van verlangen nodig. Maar toen hij stierf had hij die pasjes allang weer terug. Door de Refusal” – een middel om alcoholisten van hun verslaving af te helpen – „was het hem gelukt om niet meer te drinken en hij had zich ermee verzoend. Hij had gemerkt dat hij ook kon schrijven als hij niet dronk.”

Maar niet als hij niet rookte.

„Nee. Dat staat ook in het boek, hè. Dan gaat hij achter zijn computer zitten en het enige waar hij aan kan denken is: roken, roken, roken. Ik snap dat je gaat roken om dat te laten ophouden. Maar de cardioloog had wel tegen hem gezegd dat elke sigaret zijn einde kon zijn.”

In ‘Klaar’ schrijft hij dat de psychiater aan hem vraagt of hij nog suïcidaal is. Wat was er gebeurd?

„Het was de eerste keer dat we hem even alleen hadden gelaten, op een zondagmiddag, een maand na zijn hartinfarct. Hij had meteen een fles gin en een fles wijn gekocht en grotendeels leeg gedronken. Toen was hij bewusteloos geraakt. Maar of het een zelfmoordpoging was? In het boek maakt hij zich ervan af met een grapje.”

Wat denk jij?

„Hij wilde niet dood, maar hij wilde absoluut wel aan het leven ontsnappen zoals het er op dat moment voor hem uitzag, zonder drank en zonder sigaretten. Hij was in de rouw om het leven dat hij niet meer had. Dat was nog voordat hij Refusal kreeg. Sterker, doordat dit gebeurd was kreeg hij eindelijk hulp bij het afkicken van zijn verslavingen. Eerder werd zijn alcoholisme niet echt serieus genomen omdat hij altijd zo goed gefunctioneerd had.”

In ‘Moeder doen’ schrijft hij al hoe zijn verslavingen hem fataal zouden kunnen worden.

„Een paar maanden voor zijn dood schrijft hij letterlijk dat hij in bed ligt en dat de politie de deur moet openbreken en dat hij dan gevonden wordt. En zo is het ook gegaan. Wat zo stom was: ik zat net weer goed in dat boek over slapen en niet slapen, en wat dat doet met je denkvermogen en je creativiteit. Hèhè, na al die maanden, ik kan het nog. Nu heb ik maar besloten dat ik dat boek niet meer af ga maken. De dag van Franks dood was ik bij zijn moeder in het verpleeghuis geweest en ik belde hem om te vragen of hij nog wat lekkers wilde. Maar hij nam niet op en hij belde niet terug, wat raar was, want hij belde altijd terug. Niet piepen, dacht ik. Niks aan de hand, boodschappen doen en dan naar hem. Hij deed niet open en de haak zat op de deur, waardoor ik niet met de sleutel naar binnen kon. Ik keek door het gat van het steekslot. Hij zat niet aan zijn bureau. Hij was ook niet in de keuken. Toen heb ik 112 gebeld. De deur werd opengebroken en terwijl de politie en de brandweer zich door zijn huis verspreidden ging ik naar zijn slaapkamer. Daar lag hij, op bed. Ik wist meteen dat hij dood was, want ik had hem gezien toen hij bijna dood was, negen maanden daarvoor, en dit was anders. Ik voelde het ook, want hij was al koud. Ze moesten hem toch reanimeren, want dat moet dan, en ze sleepten hem in zijn dekbed naar de kamer. Toen heb ik wel gedacht: het zal toch niet zo zijn dat ze hem een beetje aan de praat krijgen, want dan is hij dus wél een kasplantje. Achteraf bleek hij op dat moment al meer dan vijf uur dood te zijn geweest.”

Frank Ruiter

Waarom wilde je een boek over slapeloosheid schrijven?

„Mijn uitgever wilde het graag. Ik ben eens drie jaar slapeloos geweest, ver voordat Frank ziek werd. Het bleek chemisch van aard te zijn, iets genetisch. Heel lang word je verteld dat het stress is, maar ik moest dus bij de neuroloog zijn. Nu slik ik dingen die ik zelf niet aanmaak. En ik leef ernaar.”

Franks dood zal geen echte verrassing voor je zijn geweest.

„Nee. Het weekend ervoor was hij naar een poëziefestival in Schotland geweest – de hele tijd paniek over alles, geen enkel overzicht. Als hij een taxi wilde moest ik die vanuit Nederland regelen. Hij kwam doodmoe thuis en toen had hij meteen een Eenzame Uitvaart. Vergadering zus en optreden zo. Hij wilde zo graag zijn oude leven terug. Maar hij kreeg het niet terug. Het kon niet meer.”

In ‘Klaar’ schrijft hij dat hij een mopperige oude man was geworden.

„Dat was zo, maar ik begreep het, en zijn zoon ook. We begrepen dat hij baalde. Hij was erg in zichzelf gekeerd. Als hij naar de cardioloog moest, moest ik mee, want hij zei alleen maar ja en nee.” Ze laat haar schouders hangen. „Hoe gaat het met u, meneer? Gaat wel. Het lukte hem niet om over zijn gevoelens te praten. Maar hij schreef ze dus wel op.”

Wanneer ben je in zijn computer gaan kijken?

„Twee maanden na zijn dood. Ik wist dat er een vervolg op Moeder doen was, en deel drie van Eenzame Uitvaart. Ik vond ook een roman en een dikke dichtbundel, maar die heb ik nog niet bekeken. En ik vond de Brief aan mijn hulpverlener. Ik zag onmiddellijk dat die met het verhaal over zijn moeder een boek zou kunnen worden dat er nog niet was. Hij had jarenlang voor zijn moeder gezorgd en opeens was hij zelf onderwerp van zorg geworden. Zoals er met haar werd omgegaan, zo werd er nu met hem omgegaan, dezelfde bewoordingen, deels dezelfde handelingen. Hij had zomaar op de verdieping boven zijn moeder in het verpleeghuis terecht kunnen komen. En hij kon het niet met haar delen, hè. Ze had niet eens gemerkt dat hij drie maanden niet bij haar was geweest. Het gaf hem een groot gevoel van overbodigheid, van tevergeefsheid.”

In ‘Moeder doen’ vraagt hij zich al af wanneer ze eindelijk zal sterven.

„En in Klaar bedenkt hij dat hij ook wel eens de eerste zou kunnen zijn.”

Had hij bereikt wat hij wilde bereiken?

„In zijn persoonlijk leven wel, ja. Dat schrijft hij ook: dat hij de laatste twintig jaar behoorlijk gelukkig was en op zijn plek. Goed met zijn zoon en goed met mij, een soort van beter met zijn moeder. Hij wilde nog wel graag een keer een klapper met zijn werk hebben. In zijn laatste bundel staat een gedicht dat daarover gaat: dit is je tiende bundel en die gaat weer niets doen. Maar hij was er niet bitter over. Die klapper kon nog komen. Hij wachtte.”

Hoe is het nu met zijn moeder?

„Het is haar wel verteld dat Frank dood is en ze is ook bij hem wezen kijken toen hij opgebaard lag. Ze bleef heel aandachtig naast de kist staan en ze begreep het. Maar de volgende dag was ze alles vergeten. Dat Frank dood was, dat ze bij hem was geweest – allemaal weg. We hebben het maar zo gelaten. Als wij vaak genoeg komen, heeft ze denk ik het gevoel dat hij er gewoon nog is. Ze mist hem niet en ze vraagt nooit naar hem. Sowieso vraagt ze niet meer. Ze is in het stadium gekomen waarin er niet meer gevraagd wordt.”

En jij? Ik las ergens dat je weer verliefd bent.

„Ik ben nog honderd procent met Frank, maar ik ben ook verliefd, ja. Ik heb een vriendje hier op de tuin, hij zit helemaal aan de andere kant. Ik had er niet op gerekend en ik heb er niet naar gezocht, bepaald niet. En toch is het gebeurd. Hij is grafisch vormgever, heerlijk, een andere wereld. Ja, ouder dan ik. Maar jonger dan Frank.”