Opinie

Een cv zonder gat is geen garantie voor kwaliteit

Hoe zorgen we dat onderzoekssubsidies bij de juiste wetenschappers komen? Een goede wetenschapper kan ook moeder of mantelzorger zijn, schrijft

De tijd die mannen en vrouwen toebedeeld krijgen voor onderzoek is onevenredig verdeeld.
De tijd die mannen en vrouwen toebedeeld krijgen voor onderzoek is onevenredig verdeeld. Lex van Lieshout

In de toebedeling van tijd voor wetenschappelijk onderzoek is een structureel verschil te zien tussen mannen en vrouwen, zo blijkt uit onderzoek in opdracht van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH), waarover NRC op 18/3 schreef.

Het onderzoek van de psychologen Van Veelen en Derks laat zien dat de tijd die beschikbaar is voor wetenschappelijk onderzoek onevenredig verdeeld is tussen mannen en vrouwen, en dat de balans nog onevenwichtiger wordt voor wetenschappers met kinderen. Een bepalende factor is de wijze waarop beoordelingen voor onderzoekssubsidies tot stand komen.

In deze fase van mijn carrière – ik heb na een promotietraject, postdocposities in Bath en Twente en een VENI-beurs om mijn eigen onderzoek op te zetten, nu een eigen onderzoekslijn waar ik trots op ben – is de tijd aangebroken voor het aanvragen van persoonlijke beurzen om een groep te starten. Afgelopen oktober ging mijn aanvraag voor een zogeheten VIDI-beurs de deur uit. De buitenlandse referenten beoordeelden mijn aanvraag met ‘goed’ tot ‘zeer goed’. Ik had dezelfde scores als mijn man, die een paar jaar geleden zo’n beurs heeft gekregen. Het zou dan logisch zijn om uitgenodigd te worden voor een interview, de laatste stap in de procedure, maar dat gebeurde niet.

Mijn carrièreplanning, hoe zorgvuldig ook, was ontoereikend om op essentiële beoordelingscriteria voldoende te scoren. Mijn plan om moeder te worden vlak nadat mijn postdoc in Bath afliep, betekende iets meer dan een jaar eruit. Verder heb ik lange tijd parttime gewerkt en ben ik met verlof geweest vanwege de geboorte van mijn tweede kind. Hierdoor is de hoeveelheid artikelen die ik heb geschreven een stuk lager dan van iemand die fulltime gewerkt heeft. Er zijn wel ‘extensieregels’ voor het krijgen van kinderen, maar dat weegt niet op tegen de gaten in je cv die je je hele carrière zullen achtervolgen. Daardoor maak ik minder kans op een beurs, ook al is mijn idee nog zo goed.

Hoe kunnen we onderzoekssubsidies terecht laten komen bij de juiste topwetenschappers? Dat vraagt een slimmere kijk op kwaliteit die verder dan gaat dan een simpele optelsom van publicaties en citaties. En ook een ononderbroken lijn in een loopbaan is niet per definitie een garantie op kwaliteit.

Nederland bungelt ergens onderaan in de lijst van EU-landen als het gaat om het aandeel vrouwelijke onderzoekers in universitaire topposities. Niet iets om trots op te zijn. Het vereist dat we ons afvragen hoe het kan dat andere landen er beter slagen op dit vlak. In het Verenigd Koninkrijk hebben ze speciale beurzen voor mensen die – om wat voor reden dan ook – meer flexibiliteit nodig hebben. Deze beurzen zijn heel prestigieus en competitief. De mogelijkheid om dit soort beurzen aan te vragen, laat zien dat men er zich van bewust is dat een goede wetenschapper ook moeder kan zijn, ziek kan zijn of mantelzorger is.

Alleen als we in Nederland dergelijke instrumenten breder en vaker inzetten, slagen we erin te ontkomen uit die Europese achterhoede als het gaat om kansengelijkheid. En die kansengelijkheid leidt op haar beurt weer tot grotere diversiteit; ontegenzeggelijk een belangrijk ingrediënt voor een betekenisvol wetenschappelijk klimaat.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.