Opinie

De verhalenmachine sleept iedereen mee

Luuk van Middelaar

Groot is de desillusie onder Democraten nu president Trump door speciaal aanklager Robert Mueller is vrijgepleit van „samenspannen” met het Kremlin. Zeker, het volledige rapport is nog niet openbaar en Mueller laat het oordeel over tegenwerken van de rechtsgang door team-Trump aan het Congres. Deze laatste draadjes van de plot zullen nog voor maanden gesteggel zorgen – wel of niet alles vrijgeven, wel of geen nieuwe aanklachten? Het zal de president niet deren, integendeel. De kern staat: Mueller, baken van hoop voor velen, brengt na twee jaar spitwerk Trump niet in het nauw. De Held heeft de Draak niet geveld.

De drie grote verliezers zijn de Democratische Partij, de FBI en de media. Russiagate wordt geen Watergate; Trump geen Nixon. De Democraten moeten de strijd aangaan met de politicus, niet met het monster. De FBI moet uitleggen waarom het een onderzoek naar landverraad begon, nu dit met zo weinig eindigt. Om het verwijt „heksenjacht” te weerleggen kan de dienst wijzen op de Russische sabotage van Hillary Clintons campagne en de belofte van minder sancties door team-Trump aan Kremlingezanten.

Voor de media is zelfonderzoek pijnlijker: twee jaar lierden zij het schandaal op. Het verhaal was te mooi. „We hebben onszelf voor schut gezet”, zei New York Times-stem David Brooks.

Zo is president Trump gesterkt in zijn strijd tegen de pers als producent van nepnieuws en vijand van het volk. Haarfijn voelt hij aan dat leidende mediafiguren uit zorg om nationalistisch rechts en fake news zelf een parallelle wereld bouwden waarin de president wel buitenlands agent moest zijn. Links commentator Matt Taibbi vergelijkt het gebrek aan kritische zin in Russiagate met de mediahype over Saddam Hoesseins (achteraf nooit gevonden) weapons of mass destruction, voorwendsel voor de Irakinvasie in 2003. In beide gevallen liep het hele Amerikaanse establishment erachteraan. In een scherpzinnig stuk spreekt NYT-columnist Ross Douthat van een „paranoia van het centrum”. De term is wennen. Je verwacht paranoia en complottheorieën aan de flanken – voor links schuilt het kwaad in het militair-industrieel complex, voor rechts in de deep state en de fiscus; beide soorten radicalen lokaliseren het kwaad in het establishment. Het Amerikaanse centrum daarentegen gelooft in de goedheid van ’s lands instituties en leiderschap. Het ziet de buitenlandpolitiek als strijd van Goed tegen Kwaad – denk aan de axis of evil van Bush junior, of hoe Poetin in de beeldvorming tot de duivel is uitgegroeid. De paranoia begint als deze Hollywood-kijk op de geopolitiek verdachte figuren in eigen land in het vizier krijgt – islamsympathisanten die heulen met Arabische dictators, blanke nationalisten met Poetin. Voor je het weet sleept dan de weergaloze Amerikaanse verhalenmachine iedereen mee.

Deze trek van het Amerikaanse politieke leven raakt ons in Europa direct. In de Irakoorlog bracht de narratieve dynamiek ons als bondgenoten op oneigenlijke grond in een oorlog. Het vergt geen glazen bol om te voorspellen wie – na Saddam en Poetin – de volgende villain in het stuk wordt: Xi Jinping. De Chinese president is inderdaad steeds beter te casten als oosterse despoot, nieuwe totalitaire dreiging voor de westerse vrijheid. Maar nu Europa een minder naïeve Chinastrategie ontwikkelt, moeten wij niet in die valkuil trappen. Ook onze buitenlandspolitieke oordelen zijn erbij gebaat tegenstrevers als politici te beschouwen, niet als monsters.

Goede journalistiek maakt daarom niet enkel weerbaar tegen fake news, maar erkent de eigen rol als verhalenmaker en behoedt ons voor valse frames.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof, historicus en hoogleraar Europees recht (Leiden).