Mimi Mitchell: „Het is niet zo dat de barokviool in één klap muteerde in de moderne viool.”

Foto Merlijn Doomernik

De heruitvinding van de barokviool

Mimi Mitchell Musicologe Barokvioliste Mimi Mitchell promoveerde op de recente herleving van haar eigen instrument.

Wie langs haar huis in Amsterdam fietst, ziet achter de grote etalageramen op de benedenverdieping regelmatig musici aan het werk: de oefenstudio van de van origine Texaanse violiste en musicologe Mimi Mitchell. Barok- en renaissanceviolen en veel verschillende strijkstokken liggen er paraat tussen lessenaars die zijn bedolven onder de bladmuziek. Erboven woont ze.

Mitchell promoveerde in januari op de recente herleving van haar eigen instrument: de barokviool. Die werd rond 1550 in Italië ontwikkeld. Vanaf medio 18de eeuw kwamen de aanpassingen en veranderde hij in de moderne viool, onder andere omdat concertzalen een groter en pregnanter geluid vereisten. Strijkstokken werden langer, zwaarder en rechter, met meer spanning op het paardenhaar. Voor het speelgemak en de bewegingsvrijheid van de linkerarm kwamen er een kinhouder (boven op de viool) en een schoudersteun (eronder). Darmsnaren werden staalsnaren. Een barokviool klinkt, samenvattend, zachter, lager, en lichter dan een moderne.

Jaren zestig

De barokviool won weer terrein met de opkomst van de oudemuziekbeweging vanaf de jaren zestig, die streefde naar uitvoeringen zoals ze geklonken zouden kunnen hebben ten tijde van het ontstaan ervan. Althans, zo wordt die herleving vaak beschreven. Maar Mitchell ontdekte dat er al op barokviolen gespeeld werd lang voor de oudemuziekbeweging in zwang raakte.

Altijd was Mitchell omringd door specialisten in de historische muzikale uitvoeringspraktijk. Maar pas op de uitvaart van de klavecinist-dirigent Gustav Leonardt in 2012 kwam ze vrij plotseling op een idee dat uiteindelijk tot een proefschrift zou leiden. Al die mensen, dacht ze, en hun verhalen: waar blijven die na hun dood? Wereldberoemde muziekpioniers als de dirigenten Leonhardt en Nikolaus Harnoncourt werden wel vaak geïnterviewd over hun ideeën en bevindingen. Maar dat gold niet voor hun generatiegenoten op de barokviool.

Mitchell besloot die oudere collega’s op te zoeken. „Eerst vooral uit interesse”, zegt ze. „Maar ik ging wel meteen systematisch te werk. Met een vragenlijst en een taperecorder – gewoon voor je weet maar nooit.” Dat moment kwam toen ze kort na de start van haar gesprekken een symposium aan de Universiteit van Amsterdam bijwoonde en daar musicologe Barbara Titus ontmoette. Titus werd haar promotor. „Haar verhaal maakte een verpletterende indruk op me. Ik had nooit gedacht dat musicologie zo persoonlijk mocht zijn.”

Pioniersgeneratie

Basismateriaal vormden de gesprekken die ze had met tien barokviolisten. „De oudsten eerst”, vertelt ze: haar leraar Jaap Schröder is nu al 93, daar was haast bij. In het algemeen bleken barokviolisten vitale, taaie types: kras tot op hoge leeftijd. Een tweede voorwaarde voor het onderzoek was dat de musici met wie ze sprak zelf de barokviool moesten hebben ‘ontdekt’, vertelt Mitchell. „Want dat was het idee dat ik had: dat barokviolisten van de ‘pioniersgeneratie’ zelf het wiel hadden uitgevonden.”

Een misvatting, zo bleek. Marie Leonhardt – de vrouw van Gustav – vertelde dat ze al in de jaren 40 barokviool had kunnen studeren in Basel. Mitchell besefte dat ze het ware verhaal over de herleving van haar instrument niet kende. Het vergrootte juist haar onderzoeksmotivatie.

„In het begin was de oudemuziekscene idealistisch, met duidelijke ideeën over de uitvoeringspraktijk. Marie Leonhardt moest bijvoorbeeld proberen barokviool te spelen zonder kinhouder, al voelde dat voor haar als ‘klavecimbel spelen zonder stoel’. Maar door het succes van de oudemuziekbeweging kwam er naast idealisme ook ruimte voor realisme.”

Absolute waarheid

In Mitchells woonkamer hangt een reproductie van een barokschilderij met drie violisten. Allen houden hun instrument anders vast. „Veelzeggend”, wijst ze. „Want wat is waar, wat is juist? En als je in een historische bron iets leest over vioolspelen, beschrijft dat dan het ideaal of de praktijk? Dit schilderij herinnert me eraan dat er geen absolute waarheid bestaat. We weten dat we niet alles weten. Maar we weten wel steeds méér.”

Uiteindelijk zal die paradox tot twee facties leiden, denkt Mitchell: één groep musici zal vanuit het meer weten puristischer en strenger worden. „En de andere groep vindt dat we nu leven en spelen, en zal kiezen voor wat in hun ogen en oren nu handig en prettig is.”

Het beoordelen van de mate van authenticiteit, zo benadrukt Mitchell, was niet haar onderzoeksmissie. „Ik heb onderzocht welke keuzes barokvioolpioniers maakten, en waarom. Zelf sta ik er waardevrij in. Maar ik besef wel scherper dan ooit hoeveel er voor ons is bevochten. Voor een paar honderd euro koop je nu een Chinese barokviool of -stok online, je kunt barokviool overal ter wereld aan conservatoria studeren en een facsimile uit de 17de eeuw print je thuis met een druk op de knop uit. Terwijl die pioniers hun ontdekkingstocht van de moderne viool naar de barokviool maakten, toen goede darmsnaren nog niet te krijgen waren, je een oude strijkstok ergens op een zolder hoopte tegen te komen en partituren zonder latere toevoegingen heel zeldzaam waren.”

Darmsnaren

Mitchells proefschrift beschrijft de herleving van haar instrument tot 1989. Aan de ontwikkelingen van de laatste dertig jaar wijdt ze een driedaags symposium op het komend Festival Oude Muziek. „Maar dan heb ik het liever over de ‘historische’ viool”, zegt ze. „Dat dekt de lading beter. Want het is niet zo dat de barokviool in één klap muteerde in de moderne viool. Aan het begin van de 20ste eeuw waren darmsnaren nog volop in gebruik, ook in symfonieorkesten. Dat maakt een enorm verschil in klank. Ook de spelesthetiek is sterk veranderd. Vibrato werd van een spaarzaam gebruikt expressiemiddel tot een constant klankideaal. En het glijden naar noten in positie, portamento, vatten we nu op als een uiting van slechte techniek, maar gold honderd jaar geleden als muzikaal kleurmiddel. Een kritische blik op de hele muziekgeschiedenis en het hele repertoire is typerend voor de oudemuziekbeweging anno 2019.”

Mitchell werkte bijna zeven jaar aan haar proefschrift. Natuurlijk doken er ook onverwachte aspecten op. „Bijvoorbeeld dat driekwart van de pionierende barokviolisten die ik sprak eerst viola da gamba gingen spelen”, zegt ze. „Dat verbaasde me, maar het is ergens ook logisch. Het was totaal niet vanzelfsprekend om de link te leggen tussen oude muziek en viool. Waarom zou je met een geweldige doorontwikkelde moderne viool in je handen willen teruggrijpen op een ‘oudere’ en ‘slechtere’ versie? Dus, als je interesse in oude muziek had, speelde je eerst een gamba.”

STIMU-symposium over de historische viool: 26 -28 augustus, Utrecht.