Een dandy tussen de dino’s in Transsylvanië

Paleontologie Dwergdinosaurussen en vliegende reuzenreptielen. Die leefden ooit in Europa, ontdekte een 19de-eeuwse baron. Een tour door Transsylvanië.

Struthiosaurus transylvanicus. Fossiel gevonden door Bajazid Elmas Doda, Beschreven en getekend door Nopcsa in 1915.
Struthiosaurus transylvanicus. Fossiel gevonden door Bajazid Elmas Doda, Beschreven en getekend door Nopcsa in 1915.

‘Baron Franz Nopcsa was de eerste die nadacht over het gedrag van dinosauriërs”, vertelt de Britse paleontoloog Gareth Dyke, vanachter het stuur van zijn lichtgrijze auto. Het is zomer en we rijden door de groene heuvels van Transsylvanië. „In de tijd van Nopcsa werden dinosauriërs nog gezien als droge, saaie botten. Maar hij zag ze als levende wezens.”

Paleontoloog Franz Nopcsa (spreek uit: Noptsja) vond eind 19de eeuw de eerste dinosaurusfossielen van Centraal Europa. Wanneer ik hem google, zie ik een foto van een jongeman in klederdracht, puntige schoenen, leunend op een geweer met extra lange loop en nog een wapen tussen zijn broeksriem.

Zijn leven was als een kaars die aan twee kanten aangestoken wordt: hij gaf veel licht, maar was snel op. Nopcsa was een echte aristocraat. Hij tenniste met prinsessen, schreef brieven met de Oostenrijkse keizer Franz Jozef, probeerde koning te worden van Albanië. En hij crosste met zijn secretaris (en geliefde) per motor of paard Europa door. Om dinosauriërs te zoeken.

Exemplaren in Spanje

Wilde theorieën over dinosaurussen bedacht hij. Hij mengde zich in wetenschappelijke discussies over hoe ze ooit zijn gaan vliegen, dacht aan fossiele ribben te kunnen zien of ze warm- of koudbloedig waren en lanceerde een theorie over dwergvorming bij dinosauriërs op eilanden. In Transsylvanië vond hij namelijk dino’s die vier keer zo klein waren als soortgelijke exemplaren in Spanje, Frankrijk of Noord-Amerika. Zo kwam hij op het idee dat Transsylvanië vroeger een eiland moet zijn geweest. Op eilanden is voedsel schaars, en daarom is het evolutionair voordeliger om klein te zijn.

De keerzijde van Nopcsa’s avontuurlijke bestaan was dat hij leed aan zware zenuwinzinkingen. Diverse keren moest hij worden opgenomen. Hij beëindigde zijn leven met een moord en een zelfmoord.

Dinosaurustoerisme

Gareth Dyke is ook paleontoloog en werkt aan de universiteit van Debrecen (Hongarije). Hij bestudeert fossiele vogels en gaat meerdere keren per jaar naar het platteland van Transsylvanië om versteende eieren en botten te zoeken. Hij kocht er zelfs een stukje land, een helling van rode aarde, met een hek en een dode boom erop, in de hoop dat daar ook fossielen liggen.

We maken een tour door Transsylvanië langs plekken waar Nopcsa zijn dinosauriërs vond. Ook hopen we zelf een stukje dinosaurus te vinden op plaatsen waar de Roemeense overheid voorzichtig het dinosaurustoerisme probeert aan te wakkeren. We starten in Cluj-Napoca en rijden richting Hateg.

De dorpen die we passeren hebben pastelkleurige huizen: lichtgeel, lichtgroen en roze. Op straat lopen vooral oude mensen, in felgekleurde kleding, schoffel of hark op de schouder.

Een absurde populatie

Het is lastig voor te stellen hoe dit gebied er aan het einde van het dinotijdperk uitzag. In het Laat Krijt (van 100 tot 66 miljoen jaar geleden) was een groot deel van Europa bedekt met de Thetyszee, evenals stukken van Rusland en Noord-Afrika. „In die zee lagen veel eilanden”, vertelt Dyke. Nopcsa noemde één daarvan ‘Hateg-eiland’, in een wetenschappelijke publicatie in 1914. Vernoemd naar de stad Hateg die er nu ligt.

Hateg-eiland werd bewoond door een absurde populatie dieren. Plantenetende dino’s in miniatuurformaat. Een gevederd, vogelachtig beest, niet groter dan een kalkoen. En in de lucht zweefden pterosauriërs (vliegende reptielen), met een grootte die je verstand te boven gaat. „Kleine vliegtuigen!” zegt Dyke. Hun driehoekige koppen waren twee-en-een-halve meter lang. Hun snavels hadden met gemak een mens kunnen opslokken. Naast dat alles leefden er ook schildpadden, slangen, amfibieën, krokodillen en knaagdieren, vergelijkbaar met die van nu.

Hateg-eiland besloeg 80.000 vierkante kilometer, ruim twee keer zo groot als Nederland. Het klimaat was er subtropisch, met droge en natte seizoenen. Het had stukken moeras, riviertjes, er groeiden varens, palmen, paardenstaarten en planten met bloemen. „Nopcsa heeft nooit stranden gevonden”, zegt Dyke. „Maar die zijn misschien niet bewaard gebleven.”

„Dit is het stuk land dat ik kocht”, zegt Dyke. We stoppen bij een helling met rode aarde en stappen uit. „Pas op voor teken hoor”, waarschuwt hij wanneer ik naar de helling loop. Wanneer ik zelf een dinosaurus wil vinden moet ik zoeken naar witte of zwarte botjes, zegt Dyke. Vrijwel meteen vindt hij zelf een rond kokertje ter grootte van een vinger. Maar in stukjes. Is het bot? „Ja”, zegt hij. „Je kunt alleen niet zien van welk dier het is geweest. Het is te verweerd.”

Een wormengaatje

Met een geologenhamer (met aan één kant een punt) peur ik wat van de rode aarde weg, in de hoop verse aardlagen bloot te leggen. Na een tijdje vind ik ook een wit kokertje. Dyke breekt het open. „Dat is een stukje kalk dat gevormd is in een wormengaatje”, vertelt hij. „Het hoort bij erosie. We hebben geen geluk vandaag.”

Na de dood van Nopcsa werd er nauwelijks geologisch onderzoek gedaan in Transsylvanië. Pas vanaf de jaren 80 zoeken paleontologen er weer regelmatig naar fossielen.

In 2017 verscheen een publicatie over de vondst van 18 dinosaurusnesten en 83 dinosauruskuikens. De nesten zijn bedolven toen de rivier, waar de nesten naast lagen, overstroomde. Telmatosauriërs waren het. Planteneters met een lange staart en een soort papegaaienbek, lopend op hun achterpoten. De gevonden eieren zijn 14 bij 16 cm groot en de jonkies waren 25 cm hoog. De babybotjes lagen allemaal dicht in de buurt van het nest, nooit verder dan een meter. Dat zou erop kunnen duiden dat ze verzorgd werden door hun ouders.

Nesten van verschillende soorten

Ook Dyke vond pas nog eieren en eierschalen op Hateg-eiland. Van twee uitgestorven vogelsoorten, krokodillen en gekko’s. „Het was een kolonie met nesten van verschillende diersoorten bij elkaar in de buurt. Waarschijnlijk vond de ene soort bescherming bij de andere soort.” Ze lagen bij elkaar en zijn in één keer door rivierwater overspoeld. „Dat is ook vandaag de dag nog een grote doodsoorzaak bij vogels”, vertelt hij.

Na een paar uur rijden stoppen we weer. Bij een grijzige helling dit keer. Onder aan de heuvel liggen grote ronde kiezels die blauw geverfd zijn. Halverwege de heuvel staan drie uit spaanplaat gezaagde dinosaurusmodellen. Eén is half omgevallen. Een ander exemplaar, een soort miereneter met punten op zijn rug, is zijn verf al gedeeltelijk kwijt. Dyke vraagt zich hardop af wat Nopcsa van deze toeristische attractie gevonden zou hebben. „Dit is de plek waar Nopcsa’s zusje, Ilona, in 1895 de eerste fossielen vond. Het hoort bij het landgoed van de Nopcsa’s.”

Nopcsa schreef in zijn memoires over deze vindplaats: „Ik zocht opgewonden verder op de plek waar zij de botten van een prehistorisch dier gevonden had, en vond er meer botfragmenten, wervels, een schedel. Ik wist meteen dat ze belangrijk waren.” Toen hij ze liet zien aan een geoloog in Wenen, stelde deze voor dat Nopcsa de fossielen zelf zou beschrijven. Het is alleen niet duidelijk welke van de door Nopcsa beschreven dinosauriërs gevonden was door Ilona.

Nopcsa is het meest beroemd geworden om zijn theorie over het ontstaan van dwergdinosauriërs op eilanden. Eén van de soorten die hij ontdekte was Magyarosaurus dacus: een plantenetend dier dat op vier poten liep, een lange nek en een lange staart had en een rug bedekt met stekels. Het dier leek op de iets bekendere brontosaurus, die op het vasteland leefde en wel 20 meter lang konden worden. „Alleen magyarosaurus was maar heel klein, zes meter lang”, vertelt Dyke. Ook vond Nopca twee andere mini-planteneters: zalmoxes van 3 meter groot en telmatosaurus van 4 meter. Beide dieren waren twee tot drie keer kleiner dan hun evenbeelden die elders op de wereld gevonden waren.

Reusachtige knaagdieren

Begin twintigste eeuw hoorde Nopcsa dat op Kreta en Malta dieren met een afwijkende grootte voorkwamen. Daar leefden in het Pleistoceen (2,6 miljoen tot 11.000 jaar geleden) dwerg-olifanten, dwergneushoorns en dwergherten, maar ook reusachtige knaagdieren en insecteneters. Verschillende theorieën proberen dit fenomeen te verklaren: Voedselschaarste op eilanden kan dieren dwingen om kleiner te worden. Het is immers niet mogelijk om naar gebieden met meer voedsel te trekken. Ze worden steeds eerder geslachtsrijp, behouden jeugdige kenmerken, en ‘krimpen’ als het ware. Pedomorfose heet dat. Andere dieren kunnen er juist groter worden doordat er vaak geen roofdieren en parasieten op een eiland zijn.

Nopcsa bedacht toen dat de fauna die hij vond, ook een eilandfauna was, en dat er sprake was van dinosaurusdwergvorming. Zijn theorie wordt nog steeds af en toe bediscussieerd in de wetenschap. Want was magyarosaurus niet gewoon een jong dier? Maar vooralsnog houdt zijn theorie stand.

Op een eiland worden soorten vaak kleiner. Of juist heel groot, aan de top van de voedselketen

Wat Nopcsa niet kon weten, is dat er vanaf de jaren 80 op Hateg-eiland ook gigantische pterosauriërs gevonden zouden worden: vleesetende reptielen met een vliegmembraam rond hun voorpoten. De grootste landroofdieren van Oost Europa. „Soms hadden die beesten een spanwijdte van 11 of 12 meter”, vertelt Dyke. „Dat gebeurt ook soms op eilanden, dieren die aan de top van de voedselketen staan, hebben geen concurrentie en worden groter.”

In één keer ingeslikt

Onderzoekers speculeren nog steeds wat voor dieren deze hatzegopteryxen (vernoemd naar het eiland) waren. Waarschijnlijk konden ze van het ene naar het andere eiland in de Thetyszee vliegen, en doodden ze andere dinosauriërs met hun gigantische snavels, of slikten ze dinojongen en eieren in één keer in. Maar er zijn ook paleontologen die denken dat ze niet meer konden vliegen, maar een beetje raar liepen, op hun verlengde voorpoten en kleine achterpoten.

Dinosaurusvondsten, behorend bij de wetenschappelijke publicaties van Franz Nopcsa.
Beeld uit archief van Nopcsa in het Natuurhistorisch Museum Boedapest
Dinosaurusvondsten, behorend bij de wetenschappelijke publicaties van Franz Nopcsa.
Beeld uit archief van Nopcsa in het Natuurhistorisch Museum Boedapest
Dinosaurusvondsten, behorend bij de wetenschappelijke publicaties van Franz Nopcsa.
Beeld uit archief van Nopcsa in het Natuurhistorisch Museum Boedapest
Dinosaurusvondsten, behorend bij de wetenschappelijke publicaties van Franz Nopcsa.
Beeld uit archief van Nopcsa in het Natuurhistorisch Museum Boedapest

„Wist je dat Nopcsa ook schreef over het sekseverschil tussen dinosauriërs?” zegt Dyke. „Hij schreef eens over penisbotten.” In 1929 publiceerde hij over het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke dinosauriërs, waarover tot dan toe niet nagedacht was. Bij de plantenetende rhabdodons dacht hij dat de dieren die een groef in hun staartwervels en een hamervormig bekken hadden, mannetjes waren. Aan het bekken zou een spier gezeten hebben die de penis ondersteunde. En, schrijft hij, bij sommige fossielen wordt er een gebogen bot aangetroffen in de buurt van het bekken, een penisbot. (Later is dat weerlegd, het bleek om een bot te gaan dat hoorde tussen de sleutelbeenderen.) Vrouwelijke dinosauriërs hadden een smaller bekken, vond Nopcsa, en misten een groef in hun staartwervels.

Te veel schapenpoep

Dyke wijst naar de helling en vertelt dat het een oude rivierafzetting is. Lagen zandsteen, afgewisseld met silt- of kleigesteente, afhankelijk van hoe snel de rivier stroomde. „Taste the rock!” roept hij. „Als je korrels proeft, is het zandsteen.” Ik zoek een steen uit, bijt er een heel klein stukje vanaf, en voel wat korreltjes tussen mijn tanden. „Wanneer een rivier langzaam stroomt, heb je de meeste kans een dier te vinden dat in zijn geheel is gefossiliseerd. Een langzaam stromende rivier is te herkennen aan siltsteen”, zegt hij. Zelf proeft hij niet. „Te veel schapenpoep in de buurt.”

Eenmaal in Hateg aangekomen stoppen we bij het geologiemuseum. De regio is verklaard tot ‘Unesco geopark’, staat overal.

Nooit vond Nopcsa een vleesetende dinosaurus op Hateg-eiland. Maar in 2005 is er toch een gevonden waarvan men aanvankelijk dacht dat het een jager was: Balaur bondoc. Balaur betekent ‘draak’ in het Roemeens, en bondoc ‘gedrongen’.

Gigantische klauwen

Het museum wijdt een tentoonstelling aan dit fascinerende beest. Aan de muren hangen foto’s van de paleontologen die het dier opgraven en reconstrueren. In het midden van de ruimte staat een reconstructie van het dier: een uit de kluiten gewassen kalkoen met gigantische klauwen aan zijn vleugels en achterpoten. Denk aan de velociraptor in Jurassic Park die de kinderen in de keuken achterna zit. „Maar dan met veren”, zegt Dyke.

Eerst dachten onderzoekers dat hij op andere dieren jaagde. Hij zou zijn sikkelklauwen gebruikt hebben om prooien open te rijten. Maar een recente publicatie wijst uit dat het dier een vogelachtige was, en dat hij planteneter was, of omnivoor. Ook denken de onderzoekers dat zijn voorouders vliegend op Hateg-eiland neergestreken zijn, en dat de soort daarna zijn vliegcapaciteit verloren is.

„Zie je? Nopcsa’s kasteel. Het is nog niet ingestort”, roept Dyke. Via een zandweg hobbelt de auto naar het laatste excursiepunt in Szacsal. Boven een muur met kantelen steekt een puntdak uit met een windwijzer erop, in de vorm van een draak. Ooit waren de muren van het kasteel lichtgeel, verraadt de afbladderende verf. En daarna mintgroen.

Gras in de dakgoten

Achter de poort zit een bewaker. Hij geeft toestemming even bij het kasteel te kijken, maar erin gaan is te gevaarlijk. Er groeit gras in de dakgoten en alle ramen zijn kapot. Tijdens het communisme was dit een tehuis voor gehandicapte kinderen, maar het staat nu al jaren leeg. De groene voordeur staat open en met een knikje van de bewaker mogen we toch drie stappen de hal inzetten. In de granitovloer is een rode ster ingelegd en in een zijvertrek staan opgestapelde schoolbanken. Helemaal achter in de ruimte is een enorme balk uit het dak gevallen. Er blaft een hond, ergens in het pand.

Na de Eerste Wereldoorlog kon Nopcsa nog een paar jaar in het kasteel blijven. Maar hij werd belaagd door mensen uit het dorp. Ze sloegen hem bijna dood. Hij is toen gevlucht en nooit meer teruggekomen. Het verhaal gaat dat de dorpelingen er drie dagen over deden zijn boeken te verbranden.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het VWN Tripfonds onder beheer van de Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -communicatie Nederland.
Lees hoe Naturalis aan zijn tyrannosaurus kwam: Mijn leven voor de dino’s