Wilco Dekker, bergbeklimmer

Foto Merlijn Doomernik / met medewerking van Natuurmonumenten

Tocht naar de hemel is een flirt met de dood

Mount Everest Mount Everest is door velen bedwongen, maar de dood klimt altijd mee, weet de Nederlander Wilco Dekker. Hij wil dit voorjaar op de top staan.

Het zal een heldere meidag zijn, rond 12 uur ’s nachts, als hij begint aan de laatste 548 meter omhoog. Lurkend uit zijn zuurstoffles, met drie liter per minuut, rest hem dan nog negen uur ploeteren door de eeuwige sneeuw, op weg naar die mythische plek waar slechts een fractie van de mensheid ooit van het majestueuze uitzicht zal genieten.

Het is een panorama van 360 graden. Besneeuwde bergtoppen zover het oog reikt, van het bescheiden Bhutan tot aan de hoogvlakten van Afghanistan en Pakistan. Oogverblindende gletsjers, immense kliffen van schalie en kalksteen, zo steil dat het hem zal duizelen, als de ijle lucht zijn geest niet al heeft vertroebeld.

Misschien belt hij nu met zijn satelliettelefoon naar zijn buurvrouw in Naarden, tevens zijn geliefde, om te zeggen dat hij op het dak van de wereld staat. Zij zal opgelucht zijn. Op zes meter boven zeeniveau zal ze intussen proberen voor te stellen hoe het daar moet zijn, bijna negen kilometer hoog in de Himalaya’s, waar haar vriend dagelijks één kilo afvalt.

Misschien belt hij ook wel niet. Omdat hij zijn vlag met sponsors moet laten fotograferen, als geste naar degenen die zijn reis hebben helpen financieren. En omdat hij vooral zélf wil genieten, voordat zijn sherpa na een kwartier rechtsomkeert zal maken. Weg uit de zone des doods, die onheilspellende grens boven de 7.500 meter waar niet alleen (misbare) lichaamsuiteinden als vingers en tenen maar ook vitale organen in zuurstofnood komen.

De dood kruipt hier ongemerkt in je. En als je het merkt, is het vaak al te laat.

Zó, denkt Wilco Dekker, zou het kunnen gaan als hij straks Mount Everest bedwingt, als 26ste Nederlander. Het is maar een visualisatie, maar sinds hij in 2014 wist dat hij het kon, is hij in gedachte zo vaak omhoog geklommen dat het soms klinkt alsof hij er al is geweest.

Wilco Dekker, bergbeklimmer Foto Merlijn Doomernik / met medewerking van Natuurmonumenten

Het is een maand voor de start van zijn zestig dagen durende expeditie naar de top. Zijn mannenflat puilt uit. Kratten vol touwen, tenten, mutsen en (zes soorten) handschoenen staan opgestapeld in de hoek van de kamer. Ernaast kronkelt een rubberen slang vanuit een zuurstofcompressor naar de hoogtetent boven zijn bed, waar hij de nacht doorbrengt op – gevoelsmatig – 5.500 meter hoogte. Een halve meter boven de vloer hangt een slackline, een wiebelig koord waarop hij balanceert als hij straks over drie aan elkaar geknoopte ladders boven een gletsjerspleet loopt.

We praten over zijn beklimmingen op zes verschillende continenten, de gevaren die er dreigen, de stijf bevroren Everest-slachtoffers en natuurlijk over de vraag die aan al die anderen is gesteld die hem voorgingen. Wáárom?

Zoals Amerigo Vespucci onwetend de zee op voer, zo verkozen mannen als George Mallory bijna vijf eeuwen later een onzeker lot op de Everest. Zijn expeditie in 1921 was de eerste gedocumenteerde poging om de top te halen. Of dat bij zijn laatste poging in 1924 is gelukt, weet niemand. Mallory stierf en werd in 1999 op 700 meter onder de top teruggevonden. Intact door de kou, witgebleekt door de zon.

In 1953 lukte het Nieuw-Zeelander Edmund Hillary en de Nepalese Sherpa Tenzing Norgay wel, net als inmiddels 5.292 andere individuen. De oudste was tachtig jaar, de jongste dertien. 297 klimmers, ofwel 1 op de 30, kwamen om. De meesten door lawines (77). Anderen door een val of ziektes.

Uit de statistieken, afkomstig van Everest-expert Alan Arnette, blijkt dat het dodenpercentage is gedaald: van 14,5 procent voor 1999 naar 1,7 procent erna. Met name dankzij sterker materiaal, verbeterde weerberichten en meer mensen die via commerciële expedities klimmen. Van de 297 doden gebruikten er 169 geen extra zuurstof. Circa 97 procent van de klimmers doet dat wel. De Italiaan Reinhold Messner haalde als eerste de top solo én zonder extra zuurstof. Slechts één man, Sherpa Babu Chiri, verbleef een nacht aan de top.

De Moedergodin

De regel is juist het omgekeerde: wie de top haalt, maakt dat-ie wegkomt. Want wie zich laat verleiden door de Moedergodin (Tibetaans), flirt met de dood.

Schrijver Jon Krakauer noemde zijn beklimming in 1996 „zijn grootste fout”. Het bracht hem levenservaring en een bekroond boek (De ijle lucht in), maar de twaalf klimmers die stierven in dat horrorjaar achtervolgen hem als demonen.

Google maar op Everest. De beelden spreken voor zich. Naast de mooiste screensavers prijken foto’s van klimmers die soms al twintig jaar langs de route liggen. Zoals de in 1996 overleden Tsewang Paljor, wiens fluorescerende groene schoenen een oriëntatiepunt werden, tot verdriet van zijn familie. Door smeltend ijs komen intussen meer lijken boven. Repatriëring is onmogelijk of te duur, doordat minstens zes sherpa’s nodig zijn om een lichaam te bergen.

iStock
Foto Phurba Tenjing/EPA
Everest Base Camp, Khumbu Region, Nepal
Foto iStock

Hamburgers en espresso

Thuis in Naarden heeft Dekker zich ingeprent dat de aanblik van een dode onvermijdelijk is, net als hij meemaakte op de Aconcagua in Argentinië. Hij passeerde daar een man die vergeefs werd gereanimeerd. In zijn ooghoek zag hij hoe diens lichaam van het pad werd weggetrokken, het hoofd stuiterend over de rotsen.

Hij was daar te gefocust om geschokt te zijn. Want klimmen is overleven. Eerst jij, dan de ander, zoals bij een ouder en kind in een vliegtuig. Denkt hij er nu aan terug, dan komt het meer binnen, en is hij ervan doordrongen dat ook voor een geoefende klimmer als hij reële gevaren bestaan.

Zijn expeditieleider Arnold Coster, aan wie hij 40.000 euro heeft betaald voor de klim, maakte het mee. Hij leidde in 2016 de groep op Mount Everest waarin voor het eerst een Nederlander stierf, de ervaren klimmer Eric Arnold, die in zijn slaap kwam te overlijden op de terugweg van zijn enige geslaagde poging, van de vijf.

Startpunt van de klim, via de noordelijke route, is het Everest Basecamp op 5.182 meter hoogte, een plek waar in deze tijden een hamburger en espresso valt te scoren. Vanaf daar worden de omstandigheden zwaarder. De tentjes worden kleiner, de temperaturen nemen af en het zuurstofgehalte daalt tot minder dan 33 procent in de zone des doods, waarin een mens zonder zuurstof maximaal drie dagen kan verblijven.

Om te wennen aan de zuurstofarmere lucht verloopt de expeditie in etappes. Klimmen, dalen, klimmen, dalen, totdat het lichaam genoeg rode bloedlichaampjes heeft aangemaakt om zuurstof te kunnen blijven transporteren. Hij zal in noodgevallen cialis slikken, een bloedvatverwijder zes keer krachtiger dan viagra.

Wanneer een mens te snel stijgt, kan acute hoogteziekte optreden met symptomen als duizeligheid, hallucinaties en hartkloppingen. Bloed wordt dikker en dringt op den duur amper nog tot de haarvaten door. Neus, oren, tenen en vingers worden bij temperaturen van -40 graden Celsius vatbaar voor bevriezing en afsterving. Zuurstofopname wordt bemoeilijkt doordat longblaasjes samenknijpen en de haarvaten in de longen door toenemende druk kunnen gaan lekken. Het ophopende vocht is een gevaar voor de zuurstofopname en daarmee de vitale organen.

Simpel gezegd: in de zone des doods ben je van binnen aan het doodgaan.

Alleen met extra zuurstof kan die langzame afsterving van het lichaam worden tegengegaan. Vanaf kamp twee, op 7.500 meter hoogte, zal Dekker zijn weg daarom vervolgen met een tank op zijn rug, de eerste van de zes zuurstofflessen die Nepalese sherpa’s voor hem omhoog dragen. Zij leggen ook de aanlijningstouwen en doen in zijn ogen het échte werk.

Daarna is het hopen dat de doorstroom goed verloopt. Aangezien alle expedities wachten op dezelfde periode van mild weer kan het dringen zijn bij knelpunten zoals de ‘Chinese ladder’, letterlijk een aluminium gevaarte op 8.610 meter hoogte. Trage klimmers kunnen de boel ophouden. Veelal de types, zoals echte klimmers hen beschouwen, die zich een weg omhoog hebben gekocht met hun bucketlist in de hand. Types die er niets te zoeken zouden moeten hebben. Vindt Dekker ook.

Zulke files brengen expeditieleiders in dubio. Kiezen ze voor veiligheid ten koste van hun 100 procent slagingspercentage, of gaan ze door met als gevolg dat ze niet op tijd terug in het kamp zijn?

Waarom Dekker klimt? Klassiek verhaal. Na de breuk met zijn eerste partner trok hij de bergen in. Hij kwam tot zichzelf in de ruige natuur. Geen whatsappjes. Maar stilte. De beklimmingen verrijken zijn ziel en leven.

Correctie (2 april 2019): In een eerdere versie stond dat de Italiaan Reinhold Messner de enige is die de top solo én zonder extra zuurstof haalde. Hij was de eerste, in ieder geval de Schotse alpiniste Alison Hargreaves lukte dat ook.

Foto Phurba Tenjing/EPA