Opinie

Rafelig

In 010

Een echte Snoek herken je meteen: rafelig, rauw, desolaat. Fotograaf Otto Snoek grossiert in Rotterdamse schraalheid, maar het resultaat is fascinerend. Een eenzaam Hotel New York met op de voorgrond een grote plas regenwater doet in al zijn grimmigheid denken aan een Hitchcock. Alsof er elk ogenblik een drama kan plaatsgrijpen.

Snoek, 52 jaar, presenteerde vorig weekend zijn nieuwste album Rotterdam vruchtbare grond. Een titel met een dubbele betekenis. Vruchtbaar voor de fotograaf, maar ook voor bouwers. De bebouwing die Snoek vastlegde – tussen 1991 en 1995 – bestaat veelal niet meer. Hoogbouw kwam ervoor in de plaats.

Snoek voelde een noodzaak om het toenmalige Rotterdam in beeld te brengen. „Huizen werden in hoog tempo dichtgetimmerd, hele straten afgebroken. Ik wist: het is nu of nooit.” Gek genoeg bestond er toen geen interesse om het werk van de jonge fotograaf te publiceren, maar nu heeft de beroemde fotoboek-uitgever Willem van Zoetendaal die omissie ruimschoots gecompenseerd.

„Een poëtische selectie”, noemt Snoek het zelf. Al bladerend zie je ook de eerste aanstalten tot zijn huidige oeuvre: de mens aan de zelfkant. Een kromlopende man met plastic tas, die een afstotelijk bouwhek passeert of een volks gezelschap dat patat en ijs eet aan het inmiddels onherkenbare Binnenwegplein.

„Het zijn eenvoudige mensen die weinig van het leven eisen en verwachten”, zegt Snoek. „Een klein tuintje en een tweedehands autootje zijn voor hen genoeg.” Het lijkt één doorlopende Boulevard of broken dreams met passanten die gelaten hun lot accepteren. Snoek: „Klopt. Zonder dat iemand hun iets vraagt, worden ze de lelijkheid ingerommeld. En met de nieuwbouw verdwijnt de sociale cohesie.”

Snoek balanceert heel knap op het randje van wat net nog of net niet meer kan. Die blik maakt zijn foto’s spannend, maar je vraagt je soms ook af: mag ik dit wel zien? Een vrouw met boodschappentas die nors de lens in kijkt, met op de achtergrond de dichtgemetselde ramen van de Rietvinkstraat. Ben ik een voyeur? „Nee”, zegt Snoek, „de voyeur, dat ben ik.”

Met als resultaat een wonderschone ode aan de grauwheid van onze stad. Echt hoor, Rotterdamser dan bij Snoek krijg je het niet gauw.