Foto Frank Ruiter

‘Mannen nemen graag mannen aan’

Lunchinterview Mirjam de Blécourt (55) , arbeidsrechtadvocaat en Eerste Kamer-kandidaat, schreef een boek over haar „ongebaande weg naar de top”. „Ik ben heel open geweest.”

Mirjam de Blécourt (55) is internationaal partner bij een van de grootste advocatenkantoren ter wereld, Baker McKenzie heeft 77 vestigingen in 47 landen. Ze is herhaalde malen uitgeroepen tot ‘beste vrouwelijke arbeidsrechtadvocaat van Europa’ en sinds 2013 staat ze in de Volkskrant-top 200 van invloedrijkste Nederlanders, vorig jaar op nummer 164. Ze staat ook op de kandidatenlijst van de VVD voor de Eerste Kamer, als nummer 9. Over haar „ongebaande pad naar de top” heeft ze nu een boek geschreven, Vrijgevochten, en in één alineaatje kun je eigenlijk haar hele wordingsgeschiedenis aflezen.

Het staat in het hoofdstuk over haar jeugd, in Bosch en Duin. Het huis is „romantisch, licht, vrijstaand met enorme bostuin”. In die tuin scharrelen geitjes, eenden, kippen, een pony. Haar ouders runnen in het naastgelegen pand een verpleeghuis. Haar twee zusjes van 4 en 9 jaar jonger zijn al geboren, haar broertje (19 jaar jonger) nog lang niet. En dan komt het: Haar moeder geeft haar dochters hoogspringles in de zitkamer. Een lat is niet nodig, een gespannen touwtje voldoet net zo goed. En wie springt er – per ongeluk – dwars door de glazen tuindeuren? Precies. Voortaan zette haar moeder de deuren open en legde daarachter een matras.

Als je het mij vraagt, staat daar dat áls er al zoiets bestaat als een glazen plafond, Mirjam de Blécourt daar doorheen knalt. Ze springt, stoot een keer flink haar kop, bereikt toch de top, en de landing valt uiteindelijk mee. Zoiets?

Mijn huis- en club-app ontplofte natuurlijk

Daags na de verkiezingen voor de Provinciale Staten spreken we af in een tot hotel verbouwd handelshuis in Amsterdam. Eén meter vierentachtig op Prada-hakken, lange, blonde haren bijeengehouden door een haarband met edelstenen, een roomkleurige zijden blouse onder een bomberjack. Dat ze, met haar negende plek, in de senaat zal komen, is met deze verkiezingsuitslag zo goed als zeker, dus vraag ik haar om te beginnen wat ze van de enorme winst voor Forum voor Democratie en het (lichte) verlies van haar partij vindt.

Oooh, zegt ze, breedlachend het onderwerp onverwijld van tafel schuivend. „Ik bén nog geen politicus. Ik weet niets van politiek.” Maar ze zal toch wel iets vinden van de zege van Forum-leider Thierry Baudet, al was het maar om wat hij zoal over vrouwen zegt (ze hebben minder ambitie, excelleren minder, en met nee bedoelen ze ja)? Als iemand vindt dat er meer vrouwen in topfuncties benoemd moeten worden, desnoods met verplichte quota, dan is zij het wel. Ja, zegt ze. „Mijn huis- en club-app ontplofte natuurlijk.” Met huis bedoelt ze het kippenhok in Leiden, waar ze in de jaren tachtig als rechtenstudent woonde met 43 mede-Minervameisjes. Ik zou, zegt ze alvast heel parlementair, eerst wel eens met hem willen praten. „Heel kalm en rustig.”

Een laagje optimisme

Ze heeft haar twee zonen haar boek laten lezen, zegt ze. Ze zijn 24 en 21, studeren en wonen in Leiden. „Zij hebben het weer aan hun club- en huisgenoten gegeven.” En vervolgens stroomden bij haar de mailtjes binnen. „Jongens schreven me dat ze vooraf sceptisch waren, dat ze dachten dat zo’n feministisch boekje hen niet zou aanspreken.” Maar? „Ze vonden het leuk om te lezen. En wat nog leuker was: ze lieten het aan hun moeders lezen en vroegen hen daarna of zij het ook zo lastig hadden gevonden om te werken én kinderen groot te brengen.” Het Leids studentencorps heeft ze, zoveel is me duidelijk, in the pocket, wie volgt? „Van de eerste tien kandidaten op de VVD-lijst zijn er zes vrouw. Samen kunnen we meer bewerkstelligen dan één alleen.”

We drinken water en eten een vegetarische salade. En dan begin ik aan een voorzichtige recensie van haar boek. De moeilijke momenten in haar leven staan er heus wel in. De drie jaar dat zij alleen met haar baby in een tweekamerappartement in Amsterdam woonde, met de inwonende nanny erbij, terwijl haar man zijn opleiding tot plastisch chirurg volgde in Maastricht. Op het vliegtuig naar een congres, daags na een operatie. En ja, ze vond het vele werken soms „zwaar”. Maar over al die minpunten, zeg ik, ligt een laagje optimisme en het lijkt of ze niet álles vertelt. Nou, zegt zij, daar ben ik het niet mee eens. „Ik ben heel open geweest. Ik vertel over mijn buitenbaarmoederlijke zwangerschap, zoiets gooit echt niet iedereen op straat. En ik beken dat ik géén partner werd, dat doet ook niet iedereen.” Daar heeft ze een punt, of eigenlijk twee.

Ze vertelt in haar boek over de avond voor Koninginnedag 1998 waarop ze verwachtte te horen dat ze was benoemd tot partner. „Ik had veel geld verdiend voor het kantoor, ik won zaken, ik had de meeste publicaties in wetenschappelijke tijdschriften.” Ze had gelobbyd en harde toezeggingen van collega’s. Maar ze werd het niet. Waarom niet? „Geen reden.” Of eigenlijk, wel een reden, de enige die ze kon verzinnen: dat zij vrouw was, en de mannen die haar moesten benoemen niet.

Het is geen onwil

Hoe wist ze zo zeker dat dat de kwestie was, vraag ik, misschien vonden ze haar wel gewoon om een andere reden ongeschikt? „Dat is heel vrouwelijk, om zo te denken. Maar ik kon echt geen legitieme reden verzinnen, en ik kreeg die ook niet te horen.” En waarom wilde ze zo graag partner zijn? „Voor de erkenning. Ik werkte hard, ik bracht offers. Een partner is mede-eigenaar van het kantoor en beslist mee over strategie, over aannamebeleid, alles. Dat wilde ik ook.”

Ze werd het uiteindelijk toch, nadat ze een maand uit protest niet op haar werk was verschenen, bij een ander advocatenkantoor solliciteerde, werd aangenomen en daar wel partner kon worden. Toen kwamen de mannen van Baker McKenzie haar terughalen. „Ik vind het fideel van ons kantoor dat ze me mijn verhaal hebben laten vertellen.” Het is ook geen onwil, zegt ze. Mannen nemen nou eenmaal graag mannen aan, om dezelfde reden waarom zij het makkelijker vindt om met vrouwen te werken. „Je herkent en begrijpt elkaar.” Inmiddels heeft ze bij haar sectie arbeidsrecht aan de Amsterdamse Zuidas ook drie mannen aangenomen.

Ik ga zitten en vind rust

Als ik nog even door mag over wat er volgens mij niet in het boek lijkt te staan. Ze lacht verwachtingsvol. Alle bekende zaken waarbij zij betrokken was passeren, uiteraard. De overname van ABN Amro door een buitenlands bankentrio in 2007. Het conflict tussen Johan Cruijff en Ajax. De naar haar vernoemde methode waarmee een werkgever bij massa-ontslag niet de laatst binnengekomen werknemers hoeft weg te sturen, maar álle werknemers – op papier – ontslaat en iedereen opnieuw laat solliciteren. Maar dan struikel ik toch over dat ene zinnetje. In die passage is ze met man en inmiddels twee kinderen verhuisd naar Bosch en Duin, waar haar ouders, één zus en haar broer nog wonen, en dan staat er: „Zij deden heel veel leuke dingen met de kinderen.”

Ja, knikt ze. „Dat klopt.” Haar zoons zijn niks tekort gekomen, dat geloof ik zo, maar op het gevaar af mutsig te klinken: heeft zij zelf niet iets gemist? Ze kijkt nu zo oprecht verbaasd, dat alle twijfel vervliegt. „Ik was op een leadership cursus in Colorado”, zegt ze. Onderdeel daarvan was een twee uur durend gesprek met een psychiater. „Geen psycholoog, nee, een psychiater. Ik liep binnen, de tissues stonden op tafel. Tegenover me aan tafel zit een vrouw. Eerste wat ze zegt: wat moet dát moeilijk zijn voor je, dat je je kinderen zo weinig kan zien.” En toen? „Toen niks. Ik voelde het niet. Ik heb een leuk leven, leuke kinderen, we hebben een uitstekende band. Ik snapte het probleem niet.”

Heel kalm

Nog één zinnetje dan, waarin haar moeders overlijden wordt vermeld, bijna terloops. Daar heb je een punt, zegt zij. „Er waren al heel wat zware onderwerpen besproken, het moest ook weer niet te zielig worden.” Haar moeder leed, vanaf haar 55ste tot haar dood veertien jaar later, aan de ziekte van Mesulam, een langzaam voortschrijdende vorm van afasie. „Na verloop van tijd kon ze niet meer praten, maar haar geest was nog intact.”

Is zij daarom destijds aan yoga gaan doen? „Meditatie”, verbetert ze. „Yoga is het middel tot het doel: meditatie.” Elke zondag kreeg ze drie uur privéles. Ze heeft er vijf jaar over gedaan, maar nu, zegt ze, kan ze het zelf. „Ja, echt. Ik kan zo naar boven.” Ze rolt haar ogen naar een denkbeeldige hemel. „Ik ga zitten en vind rust.”

Nu ze in de leer is voor politicus, komt die rust mooi van pas. Ze volgde de topkadertraining van de VVD. „Drie vrijdagmiddagen vertrek je met een groepje naar de bossen. De eerste bijeenkomst zit je in een kring, net als op de basisschool, en doe je een rondje voorstellen.” Ie-de-reen, zegt ze, deed iets maatschappelijks. „Niet het eerste beeld dat je hebt bij een partij als de VVD.”

Ze is er blij om. Ministers en burgemeesters kwamen les geven, opleiders die bij McKinsey hebben gewerkt en andere consultants. „Je denkt: ik heb in m’n leven al zoveel trainingen en leiderschapscursussen gedaan, nu weet ik het wel. Maar toch leer je nieuwe dingen. Ook over jezelf.” Wat dan? „We deden een oefening in crisismanagement. Hoe reageer je bij een calamiteit. Na afloop zeiden mensen tegen me: ‘Ik word zo rustig van je.’” Ze lacht nu breed en hard. „Dat hoor ik vaker. In geval van nood word ik heel kalm.”