Recensie

Recensie Boeken

Malevitsj was een griezelige, charismatische sekteleider

Nog altijd bestaat het idee dat de Russische avant-garde na de Oktoberrevolutie de staatskunst van het communistische Rusland werd. In zijn nieuwe boek laat Scheijen zien dat Malevitsj, Tatlin en andere avant-gardisten slechts werden misbruikt.

Kazimir Malevitsj op zijn laatste tentoonstelling in 1932
Kazimir Malevitsj op zijn laatste tentoonstelling in 1932 Foto: Getty

Op 21 of 22 mei 1920 – de precieze dag is niet bekend – kwam de Wit-Russische schilder Marc Chagall terug in Vitebsk, zijn geboorteplaats waar hij in 1918 een kunstschool had opgericht. Chagall, die bijna een jaar na de Oktoberrevolutie in 1917 door het nieuwe bolsjewistische regime in Rusland was benoemd tot ‘commissaris van de schone kunsten’ van Vitebsk, had een kort verblijf achter de rug in Moskou waar hij materialen voor zijn school had ingeslagen. Toen hij bij zijn school arriveerde, werd hij opgewacht door enkele studenten die hem lieten weten dat ze niet langer zijn lessen zouden volgen, schrijft Sjeng Scheijen in De avant-gardisten. De Russische Revolutie in de kunst, 1917-1935. Ze legden uit dat ze lid waren geworden van OeNOVIS, het Russische acroniem van ‘Bekrachtigers van de Nieuwe Kunst’, een genootschap dat de docent Kazimir Malevitsj had opgericht. Zijn klaslokaal mocht Chagall niet meer gebruiken. Daar hing nu een bord met het opschrift ‘Atelier Malevitsj’.

Niet lang na de confiscatie van zijn lokaal nam directeur Chagall ontslag en vertrok naar Moskou. Zijn school liet hij over aan Malevitsj, die hij ruim een half jaar eerder als docent had aangetrokken. In de jaren voor de Oktoberrevolutie was Malevitsj met zijn abstract-geometrische, ‘suprematistische’ schilderkunst met kosmische pretenties uitgegroeid tot een kopstuk van de Russische avant-garde. Malevitsj’ grote rivaal was niet Chagall, die voor de Eerste Wereldoorlog in Parijs een redelijk bekende schilder was geworden, maar Vladimir Tatlin, die met zijn door Picasso’s kubisme geïnspireerde abstracte reliëfs van metaal, hout, glas en touw als de aartsvader van het constructivisme wordt beschouwd.

Redacteur Michel Krielaars tipt vijf boeken die je gelezen moet hebben over de Oktoberrevolutie. Lees ook: Wat je moet weten over de Oktoberrevolutie

Malevitsj en Tatlin zijn de twee hoofdfiguren in De avant-gardisten van de slavist Scheijen die in 2011 een veelgeprezen biografie publiceerde van de Russische impresario Sergej Diaghilev, oprichter en leider van de beroemde Ballets Russes. Net als bij het onderzoek voor zijn Diaghilev-biografie is Scheijen bij het schrijven De avant-gardisten gestuit op veel nieuw materiaal over zijn onderwerp. Alles wat hij heeft gevonden in de Russische archieven en in de dagboeken en geschriften van niet alleen de twee leiders van de Russische avant-garde, maar ook van hun vele hele en halve navolgers als El Lissitzky, Aleksandr Rodtsjenko, Nadezjda Oedaltsova en Anna Leporskaja, heeft hij aangesmeed tot een indrukwekkend en tragisch verhaal over de opkomst en ondergang van de Russische avant-garde.

Kinderachtig dwarszitten

Veel woorden wijdt Scheijen aan de vaak mooie verhalen over het persoonlijke leven van Malevitsj en Tatlin en hun onderlinge rivaliteit. Zo beschrijft hij uitvoerig wat er in 1915 in Petrograd precies gebeurde op de opening van de legendarische laatste futuristische tentoonstelling 0.10 waarop Tatlins baanbrekende reliëfs waren te zien en Malevitsj voor het eerste zijn Zwarte Vierkant en andere suprematistische schilderijen toonde. Op allerlei kinderachtige manieren probeerden de twee avant-gardisten elkaar dwars te zitten. Malevitsj zette bij de ingang van de tentoonstelling een medestander neer om arriverende journalisten te leiden naar de zaal met de suprematistische werken van hemzelf en zijn aan aanhangers. Ook probeerden de suprematisten hun werk ongemerkt tussen dat van Tatlin en zijn volgelingen te hangen. Op hun beurt hingen die een opschrift met de tekst ‘Zaal van de professionelen van de schilderkunst’ boven de ingang van hun ruimte. Na de opening kregen Malevitsj en Tatlin tijdens het diner slaande ruzie en dreigde Tatlin al het werk van hem en zijn medestanders weg te halen.

Vladimir Tatlin kreeg slaande ruzie met Malevitsj tijdens het openingsdiner van een tentoonstelling. Getty Images

Rode draad van De avant-gardisten is de verhouding tussen de Russische avant-garde en de bolsjewieken die in 1917 onder leiding van Lenin macht hadden gegrepen in Rusland. Nog altijd bestaat hierover het idee dat het Lenins regime de avant-garde omarmde en verhief tot staatskunst. Helemaal onwaar is dit niet, zo laat Scheijen lezen. In 1918 werden Tatlin, Malevitsj, Kandinsky en andere avant-gardisten benoemd tot hoge kunstambtenaren van het Volkscommissariaat voor Verlichting, zoals het Ministerie van Kunst en Onderwijs onder leiding van Anatoli Loenatsjarski heette. En toen in hetzelfde jaar de eerste verjaardag van de Oktoberrevolutie werd gevierd, mocht Nathan Altman bijvoorbeeld de Alexanderzuil op het Paleisplein in Petrograd bedekken met gigantische, kleurige, suprematische vormen, zodat die leek op een raket die in de ruimte werd geschoten. Tatlin maakte in 1919-20 zijn houten model voor het Monument voor de Derde Internationale, een omhoogspiralende toren van vierhonderd meter die nooit is gebouwd maar wel het symbool werd voor het huwelijk tussen avant-gardekunst en communisme.

‘Nooit eerder, en nooit meer daarna, kreeg zo’n uitzonderlijke groep kunstenaars hoge posities in de bureaucratie en de mogelijkheid om delen van het cultuurbeleid met serieuze volmachten naar hun hand te zetten’, schrijft Scheijen bijna enthousiast, Maar meteen maakt hij duidelijk dat het hier niet ging om idealisme maar een noodgreep. Eigenlijk zagen de bolsjewistische leiders niets in het futurisme. Lenin bekende eens dat hij ‘niet in staat was de werken van expressionisme, futurisme, kubisme en andere -ismen te zien als de hoogste manifestatie van artistiek genie’ en er ‘geen enkele vreugde’ aan beleefde. Zelfs de relatief liberale Loenatsjarski bestempelde het werk van Kandinsky als onbegrijpelijk gekladder. Maar aangezien de meer behoudende kunstenaars in de eerste jaren na de Russische Revolutie nauwelijks bereid waren tot samenwerking met de nieuwe machthebbers, richtte Loenatsjarski zich op de futuristen bij wie hij wel sympathie vermoedde voor de revolutie. Met succes gebruikte hij de avant-garde als breekijzer in de onwillige Russische kunstwereld.

Opportunisme

Ook de avant-gardisten was opportunisme niet vreemd, maakt Scheijen duidelijk. Hoewel Malevitsj eens beweerde dat ‘kubisme en futurisme revolutionaire bewegingen in de kunst’ waren, die ‘ de revolutie in het economische en politieke leven voorvoelden’, voelde hij zich met de meeste andere avant-gardisten na de Oktoberrevolutie meer thuis bij de anarchisten dan bij bolsjevistische revolutiemakers. Pas toen het anarchisme in in 1918 werd verboden en veel anarchisten werden opgepakt, gingen de futuristen over tot samenwerking met de bolsjevieken.

Lang duurde de samenwerking tussen Lenins regime en de avant-garde niet. Vrijwel onmiddellijk kwamen de hoge futuristische kunstambtenaren onder vuur te liggen van bolsjewieken als Lenin en realistische schilders als Malevitsj’ zwager Jevgeni Katsman die zich opwierpen als de enige ware ‘proletarische’ kunstenaars. Al in de jaren 1919-20 werden de meeste avant-gardisten ontheven van hun functies en konden ze alleen nog maar terecht in het nieuwe kunstonderwijs, zoals de kunstschool van Chagall in Vitebsk.

In de jaren twintig werden de futuristen steeds meer gemarginaliseerd in de kunstwereld van de Sovjet-Unie en nam de repressie toe. In 1927 werd Malevitsj gearresteerd en zat hij een paar weken in de gevangenis. Drie jaar later, toen Stalin was uitgegroeid tot de absolute vorst van de Sovjet-Unie, werd Malevitsj, die Poolse ouders had, opnieuw vastgezet, nu voor drie maanden. Scheijen vermoedt dat Malevitsj tijdens zijn tweede gevangenschap is gemarteld is, maar bewijzen kan hij dit niet.

Sekteleider

Twee jaar later kon Malevitsj zijn voor het laatst zijn werk tentoonstellen. Vanaf 1932 werd de avant-gardistische kunst als ‘formalistisch’ in de ban gedaan en kreeg het socialistisch realisme het monopolie in de kunst. De laatste vijf jaar van zijn leven was Malevitsj een angstige man, schrijft Scheijen, en niet zonder reden: veel van zijn leerlingen werden gearresteerd, en niet weinig avant-gardisten, onder wie de suprematisten Vera Jermoleva en Nina Kogan, werden geëxecuteerd. Vreemd genoeg lieten Stalins beulen Tatlin ongemoeid. Sterker nog, Tatlin kreeg in de jaren dertig staatssubsidie om met enkele assistenten jarenlang in de toren van het Nieuwe Maagdenklooster in Moskou te werken aan zijn Letatlin, zijn luchtfiets die nooit echt van de grond kwam.

De toren van Talin zou in werkelijkheid vierhonderd meter hoog worden, maar werd nooit gebouwd.

Mede wegens de vervolging van de futuristen is de sympathie en bewondering van Scheijen voor de avant-gardisten zo groot dat hij nauwelijks een kwaad woord over ze schrijft. Op de ‘behoorlijk onverdraagzame revolutionair en intrigant Rodtsjenko na’, schildert hij de Russische avant-gardisten af als eigenzinnige dromers en luchtfietsers die uit politieke naïviteit in zee gingen met het communistische boeventuig. Hoewel hij in de inleiding schrijft dat de Russische avant-gardisten meer dan kunstenaars waren en het hele leven wilde vormgeven, noemt hij de kunsthistorici die de avant-garde totalitaire neigingen verwijten ‘lui’.

Toch ontbreken de minder aangename kanten van de avant-gardisten niet in deze indrukwekkende studie die vol staat met nieuwe details over de Russische avant-garde. Sterker nog, vermoedelijk ongewild komt vooral Malevitsj naar voren als een griezelige, charismatische sekteleider die van zijn suprematisme een nieuwe religie had gemaakt. Al in 1916, een jaar voor de Oktoberrevolutie, zei hij, alsof een Lenin van de kunsten, dat hij ‘partijdiscipline’ wilde invoeren en ‘dat er een meedogenloze oorlog’ moest worden gevoerd.

Opzij geschoven

Later, toen hij na de revolutie docent was geworden in Vitebsk, leerde hij de studenten van Chagalls school dat de kunstgeschiedenis een onvermijdelijk eindpunt had bereikt in zijn suprematisme. Wie een Bekrachtiger van de Nieuwe Kunst wilde worden, moest een verklaring ondertekenen waarin absolute trouw werd beloofd aan het suprematisme. Vervolgens kreeg het nieuwe OeNOVIS-lid zwarte vierkanten van stof uitgereikt om op zijn kleren te naaien. Als Malevitsj’ studenten, van wie de meesten niet ouder waren dan een jaar of vijftien, op excursie gingen, maakten ze er een soort processie van en namen ze een vlag met een zwart vierkant mee.

In Malevitsj’ wereld was geen plaats voor andere kunst dan het suprematisme. Nadat hij Chagall als beoefenaar van achterlijke want figuratieve kunst had weggewerkt als directeur, werd de kunstschool in Vitebsk een bolwerk van het suprematisme. Malevitsj opende filialen in andere Russische steden. Uiteindelijk zou heel de wereld worden onderworpen aan het suprematisme, zo legde hij uit in zijn theoretische geschriften waaraan hij in Vitebsk begon. Het zou er niet van komen. In 1922 werd de kunstschool in Vitebsk gesloten en vertrok Malevitsj naar Petrograd, om daar in korte tijd zijn oude rivaal Tatlin opzij te schuiven als leider van een kunstonderzoeksinstituut.