Lente in Blijdorp - niet voor alle dieren

Dierentuin Er zijn weer pluizige dierenbaby’s te vinden in Blijdorp, en de bomen bloeien. Maar voor veel dieren is lente irrelevant.

Foto’s Rob Doolaard

Sinds vorige week hangt er een kleine makibaby in de vacht van haar moeder. De babygiraffe die zondagnacht geboren is, loopt op onmogelijk grote poten onwennig achter haar moeder aan in het hoge, lichte giraffenverblijf. De ezelspinguïns zijn druk bezig met hun nesten van steen, en het ei van de Rüppellgier kan nu ieder moment uitkomen. Het is lente in Diergaarde Blijdorp, denk je dan, ook al omdat er overal bomen uitbundig bloeien.

Maar zo eenvoudig is het niet, zegt Harald Schmidt. Hij is hoofd Dier en Plant van de dierentuin. Veel dieren stammen uit streken zonder vaststaande broedseizoenen. Rond de evenaar zijn er gedurende het jaar geen grote, regelmatige verschillen in licht, warmte en voedsel, zoals op de hogere breedtegraden. Die dieren jongen niet speciaal in de lente, als het hier lichter en warmer wordt. „De Aziatische leeuwen bijvoorbeeld hebben in november jongen gekregen. Drie meisjes.”

En de pluizige makibaby en de vertederende kleine giraffe? Toeval. Van de maki wisten ze overigens niet dat de moeder zwanger was – de groep halfapen die Blijdorp van de Apenheul had overgenomen, waren allemaal vrouwtjes. Eentje is vlak voor de verhuizing bevrucht, bleek een paar maanden later. „Het was de verzorgers wel opgevallen dat ze wat dikker was geworden”, zegt woordvoerder Constance Alderlieste.

Er zijn natuurlijk genoeg dieren in Blijdorp die wel duidelijke paarseizoenen kennen. De Amoerpanter bijvoorbeeld, de zeeleeuwen, de flamingo’s of de rode panda (die beginnen aanstalten te maken).

Een bijzondere seizoensbroeder is de Rüppellsgier, waarvan er één nu dus op een ei zit dat elk moment kan uitkomen – de aanstaande geboorte is te volgen via een webcam. Deze reusachtige vogel is familie van de vale gier, en net als zijn Europese familielid broedt de gier in de winter. De jongen komen dan uit als de sneeuw begint te smelten, en er talloze dode dieren tevoorschijn komen die de winter niet hebben overleefd. Dat betekent voedsel in overvloed voor de gierjongen.

Schmidt is merkbaar enthousiast als hij over de gieren vertelt. In het verblijf, waar ook de indrukwekkende secretarisvogel rondstruint en straks de maraboe uit zijn winterverblijf komt, kunnen de gieren rondvliegen en planten ze zich goed voort. „Het gaat wereldwijd slecht met gieren. In India is de populatie met meer dan 90 procentpunt teruggelopen. Gieren ontfermden zich daar van oudsher over de heilige koeien die vrij rondlopen en dus in het wild sterven. Maar met het toenemen van de welvaart worden die vaak behandeld met de ontstekingsremmer diclofenac, die voor gieren giftig is.”

Dat is uiteindelijk ook voor mensen schadelijk, zegt hij, omdat de kadavers andere aasdieren aantrekken die veel overlast geven. Het aantal wilde honden in India is sterk toegenomen, zegt hij, en daarmee het aantal gevallen van hondsdolheid.

In Afrika zijn stropers de boosdoeners. Rondcirkelende gieren verraden de stropers, en dus vergiftigen ze de kadavers van de neushoorns en olifanten. „Soms liggen er tientallen dode gieren rond zo’n kadaver.” De gieren in Blijdorp zijn Afrikaanse dieren, en Schmidt voorziet dat op termijn gieren in Afrika zullen uitsterven, als het daar zo doorgaat. „Daarom is het voor Blijdorp belangrijk om te beginnen met het opbouwen van een reservepopulatie zodat we hopelijk in de toekomst gieren kunnen uitzetten.”

De ezelspinguïns zijn ook echte seizoensbroeders. Als op het zuidelijk halfrond de dagen lengen en de temperaturen oplopen, maken zij in het wild nesten van steen. In Blijdorp leven ze in een verblijf waar licht en temperatuur helemaal kunstmatig worden bepaald, en daar volgen ze de seizoenen van het noordelijk halfrond. Tegen de lente maken de verzorgers nestplekken en leggen ze extra stenen in het verblijf, zodat de pinguïns aan de slag kunnen.

Inmiddels zijn de stenen broedplaatsen zo’n beetje klaar. Achterin het verblijf staan een stuk of acht pinguïns angstvallig hun plekken te bewaken, vaak samen met hun broedmaatje. Ze loeren achterdochtig om zich heen of er geen kapers op de kust zijn – kleine, mooie stenen zijn erg geliefd voor het maken van stabiele nestplekken, en de dieren pikken die voortdurend bij elkaar weg. „Net als andere kolonievogels kibbelen pinguïns de hele dag”, zegt Schmidt. „Maar er komen nooit echt problemen van.” In april liggen de eieren in het nest, en de jongen worden verwacht in juni.

Terwijl de ezelspinguïns het er maar druk mee hebben en driftig rondscharrelen, staan de statige koningspinguïns er rustig bij. Zij hoeven geen nest te bouwen, ze dragen hun eieren op hun voeten, in een broedplooi. Ze hebben ook geen vaste broedperiode; de jongen blijven lang bij de ouders, eens in de anderhalf jaar leggen ze een ei. Nu loopt er één bruin, rommelig koningspinguïnjong rond. Hij toet naar zijn ouders – honger. Maar dat heeft niets met de lente te maken.