Kaal worden is erg, kaal zijn niet

Haar Of je kaal wordt of niet is een kwestie van pech. trof het niet, maar hield de eer aan zichzelf. „Als mijn haar er zo graag uit wil, dan gáát het maar.”

Foto Tim Tadder

Ik sta voorovergebogen in de badkamer en probeer in de spiegel te kijken. Met mijn handen ga ik door mijn haar. Ik schuif een lok naar links, naar rechts. En dan verschijnt-ie weer. Op mijn kruin: een witte plek ter grootte van een cent, die mij aanstaart als een irisloos oog.

Een lichte paniek in mijn buik. Sinds mijn tienerjaren draag ik mijn haren lang en warrig, zoals Kurt Cobain en Julian Casablancas. Zelfs met Hans Klok ben ik eens vergeleken. Ik bekijk mijn haar van de zijkant. Ik maak foto’s met mijn telefoon. Het voelt vol. Het ziet er vol uit. Maar daarboven.

Die dag in de badkamer was het begin van een lange, lange weg van doktersgesprekken, bedenkelijke internetfora en het-niet-meer-durven-uitgaan zonder petje. Haar staat voor kracht, jeugd, viriliteit. Kaal staat voor ouderdom, verval, vergankelijkheid.

Ik loop de badkamer uit en met klamme handen open ik mijn laptop. Kaal worden leidt meer dan eens tot depressies, vertelt het internet me. Een lager zelfbeeld. Angststoornissen. Sociale afzondering. Minder interesse van vrouwen.

Jezus. Wat blijft er van me over?

Faustiaanse deal

De dokter bekijkt mijn kruin en ik voel me betrapt. Over de schroom heenkomen om de huisarts te bellen, en dus het haarloze stukje op mijn hoofd te erkennen, duurde weken. Ze neemt weer plaats achter haar bureau. Kaal worden, zegt ze, is meestal erfelijk bepaald. Van de mannen krijgt 80 procent in zijn leven met verschijnselen ervan te maken. Ja, dat kan ook al gebeuren op je 21ste.

Ze kan pillen voorschrijven, al raadt zij dit af: het kost een boel geld en die pil moet ik dagelijks innemen. Doe ik dat niet, dan vallen mijn haren binnen een paar maanden weer uit. Een nogal faustiaanse deal.

Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Ze kijkt me aan en zegt: „Het spijt me voor je.”

Een pruik: ook een optie

Het medicijn waar de huisarts het over had, was finasteride. Voor veel mannen werkt dat best goed. Het remt de haaruitval. Maar het middel is ook omstreden. Er zijn berichten over zeldzame bijwerkingen, zoals impotentie en borstvorming. Nog zeldzamer is een depressieve stemming.

Een pruik, ook een optie. Tennisser Andre Agassi speelde grandslamfinales zonder dat miljoenen kijkers doorhadden dat het glam-metal-kapsel niet het zijne was. Als je het goed doet, ziet niemand het en heb je haar dat altijd goed zit.

Dan zijn er nog haartransplantaties. Gerard Joling, Peter van der Vorst en Arie Boomsma ondergingen die. Het kost een paar duizend euro, maar ook daar zijn veel mannen tevreden over. Ik heb Arie Boomsma’s Instagram bekeken en je ziet echt niet dat het haar op zijn hoofd verplaatst is vanuit zijn nek.

Wie swipet er nou naar rechts bij een man met een monnikenkapsel? Op dates ga ik altijd met pet

Maar daar gaat dit stuk niet over. Pruiken, transplantaties, medicijnen: ik snap dat ze voor sommige mannen die nijpende onzekerheid kunnen bezweren die ik voor de badkamerspiegel voelde. Maar ik wil het gewoon niet. Agassi verloor zijn eerste grandslamfinale op Roland Garros in 1990 naar eigen zeggen omdat hij zo bang was dat zijn pruik af zou waaien. Peter van der Vorst onderging onlangs een tweede transplantatie. En dan die pillen. Dagelijks slikken? En dat het alsnog uitvalt als ik daarmee stop?

Nee, besluit ik. Ik wil me gewoon niet mijn leven lang blijven bezighouden met wat er op mijn hoofd zit. Als mijn haar er zo graag uit wil, dan gáát het maar. Hoe verdrietig ik dat ook vind.

„En kaal is toch prima?”, zegt mijn moeder. „Misschien lijk je wel op Nico Dijkshoorn.”

Overal kale mannen

Na het doktersgesprek kom ik ze overal tegen. Kale mannen op de fiets. Kale mannen op televisie en in films. Ik zie kale mannen spelen in bands, koffiedrinken in cafés, dineren in restaurants. Kale mannen halen het vuilnis op. Steken over bij het stoplicht. Ik zie kale mannen met petten. Ik zie mannen met inhammen. Ik zie staartjes onder kale schedels. Ik zie kale mannen naar me kijken en denken: ja jongen, bij jou gebeurt het ook. Of je het nu wil of niet.

„Guus, word je kaal?”, zegt een vriend op een dag. Het is kort nadat ik de huisarts heb bezocht. Hij staat achter me, ik zit op de bank. Hij is de eerste na mijn moeder die het opmerkt.

„Huh?” Paniek.

„Op je achterhoofd, man.”

Ik ga door mijn haar.

„Nee, hoezo, ja, zie je iets?”

Hij zegt niets.

Dit is het ding met kaal worden: net als aankomen of een wrat in je gezicht kun je het niet verbergen. Het is de zichtbaarste confrontatie met ouderdom. Het begint met dat mijn haar gewoon niet meer goed zit. Waar het vroeger altijd in model viel, hangt het nu naast mijn hoofd als treurige grassprieten die te veel water hebben gekregen. Ik heb hoop. Mijn haar kan dan wel dunner worden, maar wie weet stopt het.

Het gaat langzaam, maar in de loop der jaren wordt de cent op mijn kruin een rijksdaalder en vervolgens een Verkade-koek. De petjesfase begint. De deur ga ik niet meer uit zonder iets op mijn hoofd. Uitgaan durf ik al helemaal niet hoofddekselloos. Fietsen terwijl het een beetje waait blijkt een helletocht. Daarom draag ik mijn petjes op de fiets achterover. Soms fiets ik met mijn pet in mijn hand. Als ik een bekende aan zie komen, doe ik ’m snel op.

De foto’s op Tinder zijn allemaal met pet, of het zijn foto’s waarop mijn haar er vol uit ziet. Het voelt als valsspelen. Maar wat moet ik dan? Wie swipet er nou naar rechts bij een man met een monnikenkapsel? Op dates ga ik altijd met pet. Als het op vervolgafspraakjes aankomt, doe ik ’m soms eens nonchalant af en krab ik over mijn hoofd, om voorzichtig de hint te geven dat mijn haar niet is wat het lijkt.

Ik google foto’s van Bruce Willis en Jason Statham. Maar ook Michael Stipe with hair en Woody Harrelson with hair. Ik kan er niks aan doen dat ik ze er met haar beter uit vind zien (zelfs Jason Statham). In Paint gum ik mezelf kaal. Het went niet. Ik vertel mezelf dat mijn haren alleen maar eiwitten zijn. Mijn gevoel voor humor, mijn persoonlijkheid, mijn uitstraling – het verdwijnt niet bij ieder afstervend haarzakje. Toch?

Sterren, nog met haar: John Malkovich, Michael Stipe, Bruce Willis en Woody Harrelson. Foto’s EPA

Niet alleen dijt de kale plek op mijn achterhoofd intussen uit als een waterkring, ook krijg ik inhammen. Mijn haren lang dragen kan gewoon niet meer. De eerste horde is het kort laten knippen, van schouderlengte naar iets wat door moet gaan voor een kuif. Nu begint het, denk ik als ik in de spiegel kijk. Ik ben niet langer die jongen met blond, lang haar. Hoewel de buitenwereld het allang door moet hebben, voelt het korte kapsel als uit de kast komen als kalend.

Dan komt het punt: wanneer haal je alles eraf? Het potsierlijkheidsbeginsel. Voordat het er echt, echt niet meer uitziet, moet ik het afscheren, spreek ik met mezelf af. Niks pijnlijker dan kalende mannen die zich vastklampen aan het laatste restje haar rond hun oren.

Scheerapparaat op standje 0

„Oké. Ik ga het doen.” Ik sta op uit mijn campingstoel. Mijn vriendin zit naast me en kijkt op van haar koffie. Het is nu al de derde keer dat ik dit aankondig. Ik zei hetzelfde de avond voordat we op vakantie gingen naar Zuid-Frankrijk. Ik zei het ook al een jaar eerder, voordat ik aan een lange reis begon. Die laatste haren zijn me toch dierbaarder dan ik dacht.

En nu ben ik er ineens klaar mee. Wat ik al wist toen ik zeven jaar geleden, op mijn 21ste, bepaalde dat kaal zijn mijn lot is: ik wil het zelf doen. Geen kapper, niet door mijn moeder, ook nu niet door mijn vriendin. Zoals Ned Stark in Game of Thrones de door hem opgelegde executies zelf uitvoert, zo wil ik mezelf eigenhandig een nieuwe levensfase in scheren, als een overgangsritueel naar volwassenheid. En ja, het getuigt inderdaad van een bijzonder gevoel voor drama om dat te doen boven een rivier in Zuid-Frankrijk.

Lees ook: De mannelijke mythe: ik word hard dus ik ben

Ik stap de ijskoude Ardèche in met het scheerapparaat in mijn hand. Ik kijk naar de oever. Daar staat mijn vriendin. Ik klik het machientje aan en zet het aan mijn haargrens. Standje 0. Daar gaat-ie. Hhhhhhnnnnngggggggggg. Blonde lokken vallen als bladeren op het heldere water. Verbazingwekkend hoeveel er nog vanaf komt. Dag jeugd. Plotseling dringt het tot me door dat de laatste keer dat ik zo weinig haar had, ik een paar maanden oud geweest moet zijn.

Ik zou nu graag schrijven dat mijn vriendin en ik toekijken hoe mijn plukken over het zonverlichte water wegdrijven naar de vergetelheid. Maar door een duivels spel van de stroming blijven ze voor mijn neus rondcirkelen, als een laatste eresaluut waar niemand om had gevraagd.

Na een minuut of tien stop ik. Ik kijk mijn vriendin twijfelend aan. Ze lacht en heeft tranen in haar ogen. Ik wrijf voorzichtig over mijn hoofd. Stoppels als een pasgeschoren baard. Voelt best fijn, eigenlijk. Voor het resultaat moet ik naar het washok. Als ik over de camping loop, voel ik iets geks van mijn voorhoofd tot mijn nek en van mijn linkeroor tot mijn rechter. De wind.

Ik stap de tegelvoer op van het campingsanitair en ik kijk in de spiegel. „Nee”, zeg ik. „Nee nee nee nee.”

Eén grote kale plek

Ik ben niet zomaar kaal, ik ben biljartbalkaal. De hoop dat het bij dun haar zou blijven, is definitief vervlogen.

Ik heb het idee dat mensen anders naar me kijken. Verontschuldigend lach ik nog iets vriendelijker naar het jonge gezin naast ons op de camping. Ha-ha, goed volk. Foto’s sturen van het resultaat naar familie of vrienden durf ik niet. Mijn vriendin kan wel tien keer zeggen dat ze het mooi vindt, ik hoor haar niet. En wat is het ineens koud op mijn hoofd.

Maar na een paar dagen betrap ik mezelf erop dat ik zonder pet naar de campingwinkel loop. Ik schaam me niet meer voor mijn kale plek, want mijn hele hoofd is nu één grote kale plek. Ik ga meer rechtop lopen. Ik voel me fris. Voorzichtig durf ik voor het eerst sinds de scheerbeurt weer in de spiegel te kijken.

Ik voel me steeds meer een kale man, in plaats van een man met haar die kaal was geworden

Toen ik nog volop in het haarverliesproces zat, dacht ik dat de hel pas echt zou beginnen met een helemaal kale schedel. Het tegenovergestelde is waar. Met mijn laatste haren schoor ik boven de Ardèche een last van me af. Geen bijtende angst meer. Dit zal mijn kapsel voor de rest van mijn leven blijven. Wel een verbrand hoofd, want niemand had me verteld dat ik dat ook moet insmeren.

Wat me het meest opvalt als ik terugkom van vakantie zijn de gesprekken die mensen beginnen over kaal worden. Vrienden met haar, collega’s zonder haar, vriendinnen met kalende vriendjes. Gesprekken met kale mannen over hun pad naar haarloosheid. Gesprekken met kalende mannen die zeggen dat ze het ook af zouden moeten scheren. Het moet al even duidelijk geweest zijn dat ik kalend was, maar nu ik helemaal geen haar meer heb durven anderen – en ik – er pas over te beginnen.

Lees ook: Hoed u voor de vader die doet of hij god is

Ik ga weer cafés in zonder pet. Ik hoef geen shampoo meer te kopen. Mijn haar zit altijd even goed (of slecht). Alleen de eerste keer dat vrienden, ouders of collega’s het zien, is spannend. Ik voel me steeds meer een kale man, in plaats van een man met haar die kaal was geworden.

Confucius schijnt gezegd te hebben dat het niet om de bestemming gaat, maar om de reis ernaartoe. Vermoedelijk had hij het toen niet over kaal worden. Want als het daarop aankomt, zou ik hem vriendelijk willen tegenspreken: sla heel die vervloekte reis over en zorg dat je zo snel mogelijk de bestemming bereikt.

„Kaal worden is erg”, zei de vader van een vriend. „Kaal zijn niet.”

Dat is precies wat het is.