Recensie

Recensie

De BMW 330i is Ajax-Real op mute

Autotest rijdt de BMW 330i sedan (die eigenlijk 320 had moeten heten): godsgeschenk voor raceprofessionals

BMW 330i sedan bij Dusseldorp in Zaandam Foto Merlijn Doomernik
BMW 330i sedan bij Dusseldorp in Zaandam Foto Merlijn Doomernik

De 3-serie is sinds 1975 het raison d’être van BMW. Hij is de sportsedan die meer in huis heeft dan hij blootgeeft, de voorbeeldschoonzoon met de subversieve inborst. Dat werd en bleef hij met pieken en dalen, hoewel zijn plaats binnen het BMW-gamma veranderde. Van de kleinste BMW werd hij na de komst van 1- en 2-series de middenklasser die naast sportieve steeds meer representatieve taken op zijn bord kreeg. Hij werd ruimer en officiëler, de zakenrijder annexeerde zijn speeldomein.

Zijn entree in de businessclass dwong BMW hem zachter en comfortabeler te maken. Terwijl het de scheurgemeente aan het lijntje hield met het sportieve topmodel M3, dat wél steeds extremere vormen aannam, moest de gewone Drie met mes en vork leren eten. Na transformatie zoveel was hij niet helemaal zichzelf meer, terwijl de concurrenten roomser dan de paus van Jaguar XE tot Alfa Giulia naar het oorspronkelijke BMW-recept hun eigen hardboiled sportsedans ontwikkelden. Zelfs Volvo-middenklassers gaan nu als raketten, en naast de Giulia leek de 3-serie haast een zacht ei. De eer stond op het spel.

Generatie Zeven corrigeert de neergang met verrassend harde hand. De directe besturing en het straffe onderstel zweren wraak; fuck Jaguar, fuck Alfa. De bestuurdersstoel zit absurd laag, haast als een sportwagen. Stuurpositie en wegligging zijn een godsgeschenk voor raceprofessionals, zijn kunnen overrompelt. Je vraagt je af of het voor de gedomesticeerde premium-accountant niet een brug te ver is. Komischerwijze zie je hem zijn radicalisering nauwelijks aan. Je moet van Mars komen om hier geen 3-serie in te herkennen. De achterlichten en grille zijn in de breedte iets gegroeid, maar de vechtlustig lage neus en de Hofmeisterknik in de zijruitpartij staan pal voor de traditie, al zie ik wel dat de designers er een extra hoek in hebben aangebracht. De formele identiteit is gewaarborgd.

Uiteraard werd hij groter en duurder. Liefst 78 mille kost mijn testauto die in zijn kaalste vorm al ruim boven de halve ton zit. De rekening voor de multimediasystemen, het leer, een schuifdak, 19 inch lichtmetaal, een sperdifferentieel en adaptieve demping ligt als vanouds bij de eerzuchtigen. Hij geeft er ook iets voor terug. Voor het eerst kunnen volwassenen in de traditioneel niet zeer royale 3 achter fatsoenlijk zitten, en een bagageruimte van 480 liter voldoet aan redelijke burgerlijke eisen.

Als een speer

Hij is alleen niet wat hij lijkt. Hardnekkig houdt BMW vast aan de misleidende modelaanduiding 330i, die voorheen altijd verwees naar de cilinderinhoud en daarmee impliciet naar het prestige van de zescilinder die een 330 tot twee generaties terug nog was. Voorbij. Sinds de vorige 3-serie staat 330 voor een tweeliter viercilinder met turbo. De titulatuur is zowel prestigekwestie als praktische noodzaak. ‘330’ klinkt gewichtiger dan 320, en het correcte getal is al gereserveerd voor een Drie met een iets gekuiste versie van dezelfde motor. Hij heeft met 258 pk wel net zoveel vermogen als de zescilinder in de laatste echte 330, en hij is net zo snel. Voor de fans zal het hem niet minder begeerlijk maken. De moegestreden haan neemt wat zijn huismerk geeft, zolang er BMW op staat. Hij gaat als een speer, en wat is identiteit nu helemaal? Een utopie, zoals Europa een politieke fictie is en de inclusieve samenleving rust op sociologisch wensdenken. De sportieve sedan, die nooit een echte sportwagen zal zijn, kan alleen realiteit worden door zijn verbindende manieren af te zweren.

Dat heeft hij gedaan, maar de terugkeer naar zijn roots heeft hem gespleten. De latente schizofrenie van het concept is uit de kast, yin en yang zijn uit fase. De bescheiden akoestiek van de braaf emissie-arme viercilinder, die zich nauwelijks mengt in de bizarre dialoog met asfalt en gaspedaal, wordt een surrealistische falsificatie van het rijspektakel. De 330i is Ajax-Real op mute. Voor de tribunebrul moet je een sportknop indrukken. Wat je dan hoort is geen BMW maar een getunede Subaru Impreza, met ordinaire vechtplofjes uit de geluidjeswinkel. Zijn ziel werd een gadget. De soundtrack imiteert de BMW die hij nooit was, een Alfa die een BMW van vroeger nadoet. Er moet een zescilinder in – die komt eraan– maar zijn soldatengraf is al gegraven. Hij is de laatste in zijn soort. De volgende 3-serie wordt een elektrische die i4 zal heten. Zijn laatste ronde slaat je niettemin knock-out. Hij is de beste ooit.