‘Als student dronk ik vooral, ik was echt een alcoholist’

Anna Burns Voor haar roman Melkboer, over de Troubles in Noord-Ierland rond 1980, kreeg Anna Burns de Booker Prize. Ze groeide in die wereld op, en al haar boeken gaan erover. ‘Je kon al vermoord worden als ze dáchten dat je een informant was.’

"Ik was een slechte student, ik dronk vooral, ik was een echte alcoholist."
"Ik was een slechte student, ik dronk vooral, ik was een echte alcoholist." Foto: David Levene

Dertig jaar geleden vertrok Anna Burns uit Noord-Ierland, om er nog maar zelden terug te keren. Zestien jaar geleden was ze er voor het laatst. Toch heette ze de eerste Noord-Ierse schrijver ooit die de Booker Prize won. Afgelopen najaar ontving Burns, die nu in het Zuid-Engelse Brighton woont, de grootste literatuurprijs voor een Engelstalige roman (50.000 pond) voor Milkman, nu vertaald als Melkboer.

Maar als ze spreekt, knauwen en slepen de woorden, alsof ze gisteren nog in Belfast was. Dat ze er zelden terug is geweest relativeert ze: dat heeft ook een prozaïsche oorzaak. Ze kan niet echt reizen. Ze lijdt aan chronische rugpijn, het gevolg van een medische misser. We spreken elkaar in Londen, in een koffietentje waarop de keuze viel vanwege de stoelen met hardhouten zittingen, die niet te veel meegeven.

Overigens maakt Anna Burns (1962) totaal geen getormenteerde indruk. Laconiek is ze, goedlachs. „Ik heb er allemaal niet zo veel controle over. Het enige wat ik kan doen is me mee laten voeren door wat zich aandient”, zegt ze – en dan vertelt ze over hoe ze schrijft.

Melkboer gaat dan ook enigszins onbedoeld over een wereld als die waarin zij opgroeide, en waarvan ze als vijfentwintigjarige zo rigoureus afscheid nam: het Noord-Ierland rond 1980, ten tijde van de Troubles. Het is een wereld van mensen die elkaar naar het leven staan, militairen en paramilitairen, ‘staatsverwerpers’ en ‘staatsverdedigers’, hun sympathisanten. Onderling wantrouwen tiert welig. Verdachtmakingen en geruchten worden voor waarheid aangenomen. Iedereen en alles lijdt eronder.

U beschrijft hoe alle honden uit de buurt gedood zijn door het leger, omdat die de paramilitairen konden waarschuwen dat er militairen aankwamen.

„Ja, dat herinner ik me. Ik was acht of negen, er gebeurden veel afgrijselijke dingen en dit was daar weer eentje van. Alle honden uit de buurt lagen opgestapeld op wat voor mij voelde als een reusachtige berg honden. Ik herinner me de schok en het onbegrip, en hoe ik me ervan afwendde.”

Wilde u daarover schrijven?

„Ik denk niet na over ideeën of waarover ik zou willen schrijven. Mijn boeken worden door de personages bepaald, ik wacht tot er een personage voor me verschijnt. Melkboer ontstond toen ik met een andere tekst bezig was, over lopend lezen, wat ik vroeger vaak deed omdat ik het idee had dat ik daardoor niet erg opgemerkt werd – men vond het wel best. Toen ik dat schreef, zag ik een tienermeisje voor me, wandelend over een verbindingsweg, Ivanhoe lezend. Tegelijk was ze boos op haar zus, dus dáár schreef ik een scène over, en nog eentje over een ruzie met haar vriend. Wat het verhaal precies was wist ik niet, maar ik voelde dat zij het verhaal had dat ik zou gaan vertellen.”

Zij kreeg in het boek de naam ‘middelstezus’ en haar leven speelt zich af in een buurt die lijkt op de omgeving waar Burns opgroeide. Melkboer draait om het groeiende gerucht dat middelstezus een affaire heeft met een ‘melkboer’ (een man die ‘nooit met melk gesignaleerd’ werd maar bij de paramilitairen hoort, ‘melkboer’ is een soort codenaam). In werkelijkheid hebben ze alleen wat woorden gewisseld en blijft hij opduiken – de roddel wordt onontkoombaar, ook voor een meisje dat zich afzijdig probeert te houden door in een ridderroman te vertoeven tijdens het wandelen.

‘Wie van zijn buren af wilde deed een valse melding.’

Op een gegeven moment moet u zich toch bewust zijn geworden van waar het boek over gaat? De macht van geruchten – die gaat zo’n beetje alles overheersen.

„Ja, dat ontdekte ik ook. Maar voor dat soort klaarheid optreedt is het een rommelig proces. Ik accepteer wat er komt en als het toch niet goed genoeg blijkt, haal ik het weer weg, dan verdwijnt het weer. Dat is een kwestie van wachten: verfijning komt door te wachten. Wat overigens hard werken is. En dan word je je de onderstroom gewaar, dat er onder de oppervlakte van alles aaneengroeit.”

De stad is naamloos, maar is een soort Belfast in de jaren tachtig, mag ik dat zeggen?

„Natuurlijk, er zitten stukjes en beetjes Belfast in. De werkelijkheid vormde dit boek meer dan mijn andere boeken, daarvan werd ik me steeds meer bewust – ook het geroddel kwam erin, het stilzwijgen, angst, paranoia… Ik herinnerde me de uitdrukking ‘I’ll get you done’, je gaat eraan. Dat betekende: ik zeg tegen de IRA dat je een informant bent. De IRA kreeg dat soort meldingen trouwens ook van mensen die van hun buren af wilden.”

Lees ook het interview met schrijfster Margaret Atwood: ‘We zouden vrolijker worden en meer verbonden! Pas daarna zagen we de spam, porno en haatberichten’

Dat herinnert u zich van vroeger?

„Nee, die uitdrukking herinner ik me. De implicaties ervan werden me pas duidelijk toen ik over de Troubles ging lezen, in de jaren tachtig, toen ik in Engeland kwam wonen. Toen las ik dat veel mensen zo hun burenruzies uitvochten. Het was gevaarlijk als er ook maar over je gedácht kon worden dat je een informant was. Best vaak was dat genoeg reden om vermoord te worden. Ook als je helemaal geen informant was.”

U verbaasde zich naderhand over dat wantrouwen, maar u leefde er toch middenin?

„Ja, maar je bent je er dan niet van bewust. Je lééft erin, het is normaal, die extreme waakzaamheid, de verkeerde indrukken die je kunt wekken. Dat trekt in je botten, dat beïnvloedt natuurlijk hoe je je tot anderen verhoudt. Het is vormend.”

Alles was betekenisvol, alles was politiek geladen, schrijft u: ‘De juiste boter. De verkeerde boter. Thee der Verbroedering en Thee des Verraads.’

„Zo was het. Neutraal bestond niet. Wat ik beschrijf is misschien een héél klein beetje overdreven. Of nee, eigenlijk niet. Ik weet nog dat je bepaald mineraalwater niet kon drinken als protestante, omdat het uit het zuiden kwam.” Hardop lachend: „En je had foute appels waar een stickertje met de Union Jack op zat.”

Uw vertrek uit Noord-Ierland, was dat een vlucht?

„Nou, ik wilde weg, maar wist niet precies waarom. Ik deed veel onbewust. Ik vertrok naar Londen om naar de universiteit te gaan, omdat iemand me dat had aangeraden, tot mijn verbazing, want dat was nog niet bij me opgekomen, dat deed niemand in mijn omgeving.”

Wat ging u studeren?

„Russisch, vooral omdat ik de Russen graag las. Dostojevski, Gogol, Tolstoj. Maar ik was een slechte student, ik dronk vooral, ik was echt een alcoholist. Vooral doordat Noord-Ierland opspeelde: ik was na mijn vertrek veel gaan lezen over Noord-Ierland, non-fictie over de IRA. En daar ging ik dan weer van drinken, om m’n gevoel uit te schakelen. Dus ik stopte met studeren en ging bij de krant werken als kopijtypist – ik nam de kopij van verslaggevers aan en typte die over. Dat was trouwens ook het eerste baantje dat ik had als tiener in Belfast.”

Oh, dat moet heftig werk geweest zijn voor iemand die het politieke probeerde te ontlopen.

„Vergis je niet in wat je allemaal kunt negeren, als je het maar wilt! Ik woonde daar, de dingen gebeurden recht voor mijn neus en ik kon er geen aandacht aan schenken. Iemand vroeg me laatst of ik niet gefrustreerd of boos was omdat mensen in Engeland geen idee hadden van wat er tijdens de Troubles allemaal gebeurde – nou, nee. Ik woonde er en schonk er geen aandacht aan.”

Maar toen u vertrokken was uit Belfast ging u het ineens zien?

„Ja, terugkijkend is dat wat er gebeurde. Ik moest Ierland verlaten om ermee om te gaan. Toen ik was gestopt met drinken kwam schrijven ervoor in de plaats, louterend schrijven. Alles smeet ik op papier, het was als overgeven. Dat was nooit bedoeld om te publiceren, ik heb het ook allemaal weggegooid. Pas toen ik dat kwijt was, ontnuchterd was, begon het echte schrijven.”

En inmiddels zijn we jaren later en komt Noord-Ierland nog steeds oprispen?

„Niet echt. Ik denk dat het gevoel van toen echt uit mijn systeem is.”

Dan zou u toch niet meer voortdurend over Noord-Ierland schrijven?

„Als het me echt nog zou schokken en ontregelen, zou ik er niet over kunnen schrijven. Ik vóél dit onderwerp wel, natuurlijk, maar het is niet zo ondraaglijk dat ik er niet over kan schrijven.”

Voor mij is de wereld die u beschrijft een bijna ondraaglijke dystopie, een nachtmerrie.

„Wat fijn! Want dat is het ook!” Zelfbewust: „Zoals ik zei: het voelt voor mij niet echt alsof ik dit verzin, het is alsof iemand anders me haar verhaal vertelt. Het is niet hetzelfde als schrijven over iets dat me gisteren nog van m’n stuk bracht. Iemand vroeg me eens: is het niet moeilijk om humoristisch te schrijven over zulke pijnlijke dingen? Nou, niet dus.”

Want humor is een manier om afstand te creëren tot iets pijnlijks?

„Net als schrijven.”

Maar afstandelijk moet het ook niet worden, neem ik aan.

„Klopt. Maar mijn taak is om de wereld in de fictie zo waarachtig mogelijk te maken, kloppend naar zijn eigen regels en logica, zodat ik een emotionele realiteit overbreng. Dat is wat ik in mijn werk het meest beoog: emotionele echtheid. En ik denk dat Melkboer dat is, meer dan een portret van een bepaalde tijd of een bepaalde plek: een emotioneel echte weergave van hoe het was, van de angst, de duisternis, het trauma. Ondertussen probeerden mensen toch menselijk te blijven en lief te hebben, ondanks alles.”