Veranderingswind

Ewoud Sanders

Wat Thierry Baudet op politiek terrein teweeg zal brengen is onvoorspelbaar, maar taalkundig gezien kun je nu al vaststellen dat hij ten minste twee woorden en één uitdrukking breed onder de aandacht heeft gebracht: boreaal, oikofobie en de uil van Minerva.

De spellingchecker van Word herkent oikofobie nog niet, maar dat zal ongetwijfeld snel veranderen. De Dikke van Dale voegde het woord zeer recent, in maart 2019, „voorlopig” toe met als definitie: „Ziekelijke afkeer van wat eigen is, m.n. afkeer van de eigen cultuur.” Een voorbeeldzin ontbreekt.

Bij mijn weten is oikofobie op 28 december 2012 voor het eerst in het Nederlands gebruikt, door Baudet in zijn afscheidscolumn in NRC Handelsblad. „Het is het tegenovergestelde van xenofobie: niet een ziekelijke angst voor het vreemde, maar een afkeer van het eigene”, schreef hij. Hij liet geen misverstand bestaan over de herkomst: hij leende het van de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton.

Voor Baudets aanhangers is oikofobie een signaalwoord geworden: ze begonnen te juichen toen hij het tijdens zijn verkiezingstoespraak gebruikte. Nederlandse kiezers die gaan juichen als zij een moeilijk woord met Griekse wortels horen: hoe je ook over Baudet denkt, taalkundig gezien is dat een indrukwekkende prestatie.

Dat geldt ook voor zijn inzet van het woord boreaal. In allerlei stukken is uiteengezet dat ook dit een signaalwoord is – een zogeheten dog whistle of hondenfluitje. Oorspronkelijk betekent boreaal ‘noordelijk’, maar in extreem-rechtse kringen wordt het gebruikt als synoniem voor ‘wit’. Wat het tot een dog whistle maakt (lang geleden dat ik in zo’n korte tijd zoveel nieuwe woorden leerde), is dat de goede verstaander er genoeg aan heeft, terwijl tegenover buitenstaanders kan worden ontkend dat het een eigen betekenis heeft.

Tot voor kort werd boreaal buiten de vakliteratuur slechts sporadisch in het Nederlands gebruikt. Wel vond ik het in een gedicht uit 1920 van de Nederlandse classicus, letterkundige en filosoof Johan Andreas Dèr Mouw. Toeval of niet: Dèr Mouw brengt boreaal en wit bij elkaar in regels die stilistisch goed passen in de taal van Baudet: „Wit stond je op wit, waai’rende oranje sprank’ling/ Rondom je, boreale draperie:/ De Erscheinung van Strauss’ Alpensymphonie/ Is niets dan jouw late en matte verklanking.”

De uil van Minerva deed het tijdens Baudets overwinningstoespraak duidelijk minder goed: ondanks diverse herhalingen bleef het stil onder de leden. Maar wat niet is kan nog komen: Baudet lijkt mij niet iemand die makkelijk afscheid neemt van een beeldspraak waarvan hij zelf, geroepen tot kapitein van het vlaggenschip van de renaissancevloot, overduidelijk zeer gecharmeerd is.

Taalkundig gezien het opzienbarendst is dat Baudet ervoor lijkt te gaan zorgen dat de definitie van populisme moet worden herzien. Tot voor kort verstond men hieronder: het volk naar de mond praten. Dat doet de „nationaal-populist” Baudet absoluut niet. Zijn kiezers, onder wie relatief veel laagopgeleide mannen, lijken eerder te worden betoverd door de ongewone samenstellingen die Baudet aan de lopende band fabriceert. Bij mijn weten zijn woordsamenstellingen als beschavingsfamilie, duurzaamheidsafgoderij, klimaathekserij en -ketterij, veranderingswind en zondvloedgeloof allemaal in het Nederlands gemunt of verbreid door Baudet.

De tijd zal leren of het eendagsvliegen waren.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders