Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Martijn-bal

Vanaf het balkon zie ik de achtertuin van de overburen. Tachtig vierkante meter kunstgras. Tegen de houten schutting een paar potten met palmbomen, er staan ook twee korfbalmanden. Ze groeten ons niet, maar dat is niet onaardig bedoeld weet ik inmiddels. De mensen zijn hier gewoon niet goed in contacten met mensen van buiten.

Ik zie vader en zoon vanaf het balkon regelmatig korfballen. Korfbal is hier een grote sport, misschien wel de grootste.

Moeder staat tijdens het spel in de regel ook te kijken en bemoeit zich er actief mee. Soms gebruikt ze een fluit, wat ik in gezinsverband raar vind.

„Contactfout, dat is echt een contactfout. Martijn-bal! Nee, echt Martijn-bal!”

Met ‘Martijn-bal’ bedoelt ze dat haar zoon de bal mag, haar man verzet zich hier soms tegen. Een keer, toen ze weer ‘Martijn-bal’ gilde, zei hij: „Ja, nou weten we het wel, Astrid, ga nu maar weer koken.”

Los van dat denigrerende ‘ga nu maar weer koken’ vond ik wel dat hij een punt had, want het is bij Astrid altijd ‘Martijn-bal’, tenminste wel als ik kijk.

Een andere keer, ze parkeerde haar sportfiets op het strookje tegels naast het kunstgras, zei hij, terwijl hij eerst een bal met een boog in een korfbalmand gooide en daarna zijn handen afveegde aan zijn glimmende korfbalbroek: „Ha, Astrid! Wat eten we eigenlijk?”

Zij: „Iets met bietjes en vis, denk ik.”

Na ze jarenlang actief te hebben bestreden begon ik gisteren de insecten te helpen. Ik schepte het grint uit onze voortuin. Het was gecompliceerder dan gedacht. Ik had niets geregeld en gooide dat grint maar gewoon op een berg en stuitte al snel op een stevig ingegraven plastic mat, bedoeld om ieder oprukkend leven te ontmoedigen.

Stonden die vader en Martijn er opeens bij te zwijgen, fietsen in de hand.

„En nou?” vroeg die vader toen ik opkeek. „Ga je er potaarde op gooien? Want het is wel zandgrond.”

Ik begon, woedend trekkend aan die plastic ondergrond, over insecten en dat ik er een kleine wildernis van wilde maken.

Daar had je Astrid ook.

Hij tegen haar: „Hee, ook hier?”

Ze vroeg: „Wat doe je allemaal buurman? Grint eruit? Moet je kunstgras nemen. Eens per maand emmertje sop erover en klaar ben je.”

Hij: „Wil hij niet.”

Ze liepen weg zonder te groeten. Achter elkaar aan, door hun poort, hun kunstgras op. Ik stelde me zo voor dat ze daarna ‘iets met bietjes en vis’ gingen eten.

Ik kreeg zin in de lente.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.