Opinie

Een trouwjurk van parachutezijde

Paul Scheffer

Op het laatst zat er niet zo veel vlees meer op de botten. Of zoals ze zelf zei: „Ik ben een raar en verschrompeld besje geworden.” Ze probeerde nog wel de regie te voeren over haar krimpende domein. Dat besloeg niet veel meer dan een tweepersoonsbed, volgestouwd met medicijnen en leesvoer. Een kleine televisie stond aan haar voeteneinde – vooral naar tennis keek ze nog graag.

Ina Wolf, mijn moeder, die ik onbekommerd mag gedenken in deze Boekenweek, droeg tot op hoge leeftijd graag gedichten voor – uit het hoofd. Bij voorkeur de gedichten van Hugo von Hofmannsthal in een fraai Duits dat ze van haar vader Herman had meegekregen. Die was als kind met zijn Joodse familie uit Duitsland naar Nederland gekomen.

Haar lichaam wilde niet meer, maar het geheugen van mijn moeder was tot het einde onaangetast. Op een gegeven moment kon ze nagenoeg foutloos wel twintig van die gedichten voordragen. Ze wees me op een zin van Von Hofmannsthal: „Als een mens er niet meer is, neemt hij een geheim met zich mee: hoe het hem, uitgerekend hem, mogelijk is geweest in geestelijke zin te leven.” Ze voegde toe: beter was geweest, te overleven.

Haar familiegeschiedenis is in alle opzichten nabij. Ik vind het fijn om op een steenworp afstand te wonen van de plek waar mijn moeder als kind is opgegroeid. Het gezin behoorde in de vroege jaren twintig tot de eerste bewoners van de Harmoniehof in Amsterdam-Zuid. Nog steeds wandel ik graag door deze besloten plek waar het rumoer van de stad ver weg is. Ik verbeeld me dan dat onze voetstappen zich vermengen.

Haar verhaal is nog dichterbij gekomen doordat ik een boek heb geschreven over Herman Wolf. Toen ik daaraan werkte had ik lange gesprekken met mijn moeder. De oorlogsjaren kwamen vaak terug. Als montessorilerares op een joodse school zag ze hoe de klas leger en leger werd. Telkens waren er kinderen van de ene op de andere dag verdwenen. Ze maakte mee hoe op klaarlichte dag een tweeling die ze goed kende in de Euterpestraat werd afgevoerd.

Sommige verhalen mochten niet in het boek, vooral het verhaal over haar relatie met Hans Kalbach van Gogh. Hij leidde een verzetsgroep. Ze gingen samen regelmatig het land in om onderduikers te helpen. De liefde bloeide op terwijl zijn vrouw in een concentratiekamp zat. Met dat schuldgevoel worstelde ze al die jaren later nog. Toen haar relatie met Hans ophield heeft ze op het punt gestaan om zelfmoord te plegen.

Ze had niet veel zin om al die herinneringen op te rakelen. Het verlies van haar vader midden in de bezettingsjaren woog zwaar. Ik vond later nog een notitieblok met gedetailleerde beschrijvingen van zijn laatste weken. Haar overlevingsdrang heeft ze daar aan zijn ziekbed opgedaan – dat heeft haar gevormd en vast ook een beetje misvormd.

Met mijn boek over haar vader was voor mij een cirkel gesloten. Tegen beter weten in hoopte ik dat ze het ook zo zag. Maar mijn moeder was niet iemand van berusting of verzoening. Ze was er heimelijk wel blij mee. Toch zei ze net iets te vaak: „Er staat in dat hele boek niets wat ik niet allang wist.”

Ina Wolf was mild uitgedrukt een weerspannig karakter. Aantrekken en afstoten – daar was ze heel bedreven in. Ze kreeg vaak haar zin, al was de prijs soms zo hoog dat ik me afvroeg of al dat zin krijgen wel de moeite waard was. Mijn moeder had veel aanleg voor conflict. En daar leed ze zichtbaar onder.

Ik ben op mijn veertiende het huis uit gegaan. Dat ze me liet gaan heb ik altijd een groot gebaar gevonden. Mijn moeder begreep dat ik meer vrijheid nodig had, of dacht te hebben. Ik mocht naar een vrijzinniger school in een andere stad, ver weg van huis. Die vroege losmaking werkt door: het heeft me gevormd en vast ook een beetje misvormd.

Mijn broer Rudolf heeft zijn herinneringen opgeschreven onder de titel Monologen met mijn moeder. Die geven een aardige indruk van haar. Zo was ze niet dol op andere bejaarden: „Vreselijk, met zo’n geknakt hoofd in zo’n eng karretje. En krijg je dat eindeloze geouwehoer over hun ziektes. Doodziek word je er van. Ik ga daar toch echt niet tussen zitten, in zo’n knekelverzameling.”

Ze vertelde me ooit over een lezing in de oorlogsjaren. De spreker, Siegfried van Praag, zei – en dat was ze nooit vergeten: „We zijn zo vlug klaar met de dood van een ander.” In die zinnen zat een opdracht – dat had ik wel door. Mijn moeder kan gerust zijn, ze is nog aanwezig, al was het maar omdat ze veel van haar geheimen heeft meegenomen.

Ik kijk weleens naar de foto’s van haar huwelijk. Kort na de oorlog is mijn moeder met mijn vader getrouwd in een jurk van parachutezijde. Dit vind ik nog steeds zo’n sterk beeld van de bevrijding: een trouwjurk gemaakt uit de stof waarmee de Canadezen uit de lucht waren gedwarreld. Ze ziet er mooi uit op de foto’s – die hemelse japon stond haar goed.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.