Opinie

Dagelijksebesognes

Frits Abrahams

Wat mij altijd weer fascineert is de manier waarop het gewone, dagelijkse leven doorgaat, alle rampen ten spijt. De wereld kan om je heen zo ongeveer op instorten staan, hulpkreten en sirenes klinken alom terwijl overal de lichten uitvallen, maar het enige wat nu even telt is de kattenbak die hoognodig verschoond moet worden omdat de kat het anders vertikt om hem te bestijgen – met alle noodlottige gevolgen van dien.

Van Jan Blokker, God hebbe zijn columns, herinner ik me een stukje waarin hij beschrijft hoe zijn vader op de morgen van de Duitse inval op 10 mei 1940 keurig zijn jas aantrok en naar zijn kantoor toog. In een andere column schreef hij: „Mijn vader heeft tot Hitlers laatste snik zijn kantoorplicht gedaan – en toen lijn 17 niet meer reed, in de laatste maanden toen de samenleving in het westen werkelijk ontwricht was, liep hij, dus verliet de woning een kwartier vroeger.”

Het had over mijn eigen vader kunnen gaan – misschien ook de uwe, want vaders is in het algemeen niets menselijks vreemd; moeders trouwens ook niet, maar daarover durf ik in deze aan hen gewijde Boekenweek verder niks te zeggen.

Ook de vorige week voltrok zich veel narigheid, van Christchurch tot Utrecht, en er heerste daarover terecht de nodige ongerustheid en angst, maar opnieuw (onze nationale voetbalcoach Ronald Koeman zou zeggen: „Wederom”) deed het dagelijkse leven al snel alsof er au fond niet zoveel bijzonders aan de hand was: niet zeuren, kop op, het leven gaat door. Naar het kantoor.

Ook in het appartementengebouw waar ik woon hadden we onze niet te onderschatten besognes. Er hadden zich op tijdelijke basis nieuwe bewoners gevestigd die veel overlast veroorzaakten. Ze vierden te luidruchtig feest – nota bene al op de eerste dag dat ze er waren – en hadden een hondje dat voortdurend blafte, vooral als het baasje niet thuis was.

Het was in een ander deel van het gebouw, dus wij hadden er zelf geen last van, maar ik begreep de klachten. Een dergelijk hondje hadden wij ook weleens boven ons moeten dulden. Hoe klein en lieftallig ook, zo’n diertje kan je tot gevaarlijke driftaanvallen opzwepen, vooral als je aan het werk bent.

De destijds populaire schrijver A. den Doolaard, die van De herberg met het hoefijzer, woonde in de jaren vijftig even buiten Hoenderloo in een vrijstaand huis. Hij werd bij het schrijven zo gehinderd door de onophoudelijk blaffende herdershond Nora van de buren dat hij zijn boek Het leven van een landloper niet op tijd af kreeg. Den Doolaard deed zijn beklag bij de kantonrechter en zei dat hij de hond wel begreep: „Als ik zes jaar aan de looplijn lag, zou ik ook vervelend worden.”

De schrijver vluchtte ervoor de omringende zandverstuivingen in, maar kon het geluid nog op 2,5 kilometer afstand horen. De verslaggever van Trouw schreef op 27 november 1959: „De verbaliserende agent, de heer Knoef, voegde eraan toe dat het geluid speciaal bij westelijke winden zeer hinderlijk voor de omgeving is.” Helaas vermeldt het knipsel niet wat het oordeel van de kantonrechter was.

Den Doolaard bofte wel met die agent, want waar is tegenwoordig de heer Knoef als je hem nodig hebt? Hij komt nauwelijks meer in het dagelijks leven voor. Ook daarom zullen wij gewoon moeten doorgaan tot we erbij neervallen.