Opinie

Aan 30 kilometer per uur rijden valt best te wennen

Verkeer

Uitgerekend de brancheorganisatie RAI (Rijwiel- en Automobiel-Industrie) pleit ervoor om binnen de bebouwde kom niemand meer toe te staan harder te rijden dan 30 kilometer per uur. RAI wil zijn verantwoordelijkheid nemen, verklaarde de voorzitter. Maar ook zal meespelen dat voor de steden een autoluwe toekomst in het verschiet ligt, nu jaarlijks het aantal zware ongevallen oploopt dat door gemotoriseerd vervoer wordt veroorzaakt. En dat is niet in het voordeel van de branche.

Minister Cora van Nieuwenhuizen (Infrastructuur, VVD) verwierp ogenblikkelijk een algemeen geldende snelheidsverlaging. De minister speelde de bal naar de gemeenten en die wimpelden het af. 30 kilometer per uur kan niet. Verkeersborden doen niks en er is geen gemeentebudget voor verkeersdrempels en slalom-vluchtheuveltjes, terwijl die de enige mogelijkheid zijn om langzamer rijden af te dwingen. Waarmee de overtreders werden bevorderd tot de norm en de automobilisten die medeweggebruikers niet in gevaar wensen te brengen weggezet als uitzondering. Dat is de omgekeerde wereld.

Een auto of gemotoriseerd rijwiel is in principe een bedreigende machine. Zolang de bestuurder zich daar rekenschap van geeft, is er weinig aan de hand. Die houdt niet alleen rekening met de spreekwoordelijke spelende kinderen en moeilijk lopende ouderen, maar met alle kwetsbare weggebruikers. Overdreven is dat niet. Wie wil er een dode of gewonde op zijn geweten hebben, omdat hij 50 wilde rijden in plaats van 30? Zo’n chauffeur speelt met andermans leven en ook met dat van hemzelf. Iemand doodgereden hebben gaat nooit meer weg.

De mobiliteit in de steden groeit en de aantallen slachtoffers stijgen mee. De huidige regelgeving is niet meer toegesneden op de hoeveelheden weggebruikers. In de spitsuren staan fietsers in de file en verdringen ze elkaar bij de verkeerslichten. De scooters en speed pedelecs rijden sinds vorig jaar op de rijbaan, waar automobilisten niet zelden schrikken van hun manoeuvres. Maar de gemeenten doen of er niets is veranderd. Als de minister het niet afdwingt, zien ze ondanks de aanwas van voertuigen geen reden om een snelheidsbeperking te overwegen. Ze voerden de 30 km-grens al in heel wat woonwijken in, en toch zeggen ze dat deze niet doeltreffend is en niet te handhaven. Drempels en zo zijn te duur en bovendien fnuiken ze hulpdiensten als brandweer en ambulances.

Alsof er geen andere mogelijkheden zijn. In Amsterdam wordt bijvoorbeeld ingezet op preventie en gedragsverandering. Snelheidsbeperking zal in die strategie een vanzelfsprekende plaats innemen. En aan verschillende gemeentegrenzen staan nu al flitspalen, die aangeven dat er te hard gereden wordt en ook hoe veel. Goedkoper dan drempels en een waarschuwing die ervan uitgaat dat de automobilist niet met opzet te hard rijdt.

Wat valt er, behalve een neiging om alles bij het oude en bekende te houden, in te brengen tegen het verlagen van de snelheidslimiet tot 30 kilometer per uur binnen gemeentegrenzen? Uiteindelijk niet meer dan dat ‘niemand’ er zich aan zal houden. Dat stellige gerucht ging ook toen de autogordel verplicht werd: de mensen wilden het niet, ze zouden zich betutteld voelen en het viel niet te handhaven. Niettemin moest die gordel per juni 1975 gedragen worden. Aanvankelijk leidde dat tot hoon en algemene weerstand. En nu gespt iedereen die gordel vast. Een enkeling daargelaten – en die geldt als een zonderling.

Correctie (27 maart 2019): In een eerdere versie van dit commentaar stond dat autogordels sinds 1992 verplicht zijn, maar dat geldt alleen voor de achterbank. Op de voorste stoelen is de autogordel sinds 1975 verplicht. Dat is aangepast.