Kabinet kan geld niet kwijt

Overschot Het Nederlandse begrotingsoverschot in 2018 was goed voor een absoluut record, bleek dinsdag. Ook de komende jaren rekent het Centraal Planbureau op overschotten en een afnemende staatsschuld. Wat betekent dit?

Wanneer minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) staatsleningen uitschrijft met looptijden tot acht jaar, hij geld toe krijgt van beleggers, in plaats van dat hij rente betaalt.
Wanneer minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) staatsleningen uitschrijft met looptijden tot acht jaar, hij geld toe krijgt van beleggers, in plaats van dat hij rente betaalt. Foto David van Dam

Bijna 21.600 euro per minuut. Zoveel hield Nederland afgelopen jaar over op de gezamenlijke begroting. Het totale overschot op de begroting over heel 2018 bedroeg daarmee maar liefst 11.348.000.000 euro, een absoluut record en bijna het dubbele van waar rekening mee was gehouden.

Als gevolg van de voorspoedige economische groei in 2018, haalde de overheid in totaal 14 miljard euro meer belastingen en premies binnen dan het jaar daarvoor. Met name de inkomsten uit de dividendbelasting, de energiebelasting, de overdrachtsbelasting (huizenmarkt) en de belasting op personenauto’s waren fors hoger dan het jaar daarvoor. Maar ook de loon- en inkomstenbelasting en de winstbelasting voor bedrijven waren gunstig. En vergeet de incidentele meevaller niet die de schikking met ING vanwege witwasssen opleverde: 0,8 miljard euro extra inkomsten. Tegenvaller aan de inkomstenkant was de lagere opbrengst van de aardgasbaten: de gaskraan ging als gevolg van de bevingen in Groningen een stukje verder dicht.

Al deze extra inkomsten maakten dat de collectieve lastendruk, het totaal aan belastingen en premies dat de overheid binnenkreeg als percentage van het bruto binnenlands product, tot grote hoogte steeg. In totaal bedroeg die 38,4 procent, het hoogste niveau sinds halverwege jaren negentig.

Daar stonden ook hogere uitgaven tegenover. Na jaren van regeren met de handrem erop, rolt het geld weer sinds het aantreden van Rutte III. Zo gaf de overheid meer uit aan de zorg en aan loonkosten, was de afdracht aan de Europese Unie hoger dan voorheen en betaalde Nederland mee aan de wederopbouw van Sint Maarten na de schade die orkaan Irma daar in september 2017 aanrichtte. Meevallers waren er ook: lagere bijstands- en werkloosheidsuitkeringen als gevolg van de goed draaiende economie en een fors lagere rente op de dalende staatsschuld. Onder aan de streep van de overheid resteert desondanks een flink overschot van 11 miljard.

Derivatencontracten

De staatsschuld nam in totaal met ruim 14 miljard euro af, tot iets meer dan 405 miljard euro. Het volledige overschot op de begroting liep daar in, maar dat was niet alles. Zo zorgde de voortijdige afwikkeling van derivatencontracten die het ministerie van Financiën afsloot op de staatsschuld ook voor een meevaller van 5 miljard euro. Met die derivaten verkortte Financiën kunstmatig de looptijd van de staatsschuld. Nu ze worden verkocht krijgt de schuld weer een langere looptijd en dat is, gezien de lage rentes van nu, gewenst. Bovendien waren de derivaten afgesloten toen de rente hoger was, waardoor ze nu bij verkoop geld opbrengen.

Het begrotingsoverschot van 1,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp) was in 2018 iets hoger dan de 1,4 procent die het Centraal Planbureau (CPB) vorige week nog voorzag in zijn halfjaarlijkse Centraal Economisch Plan. Het CPB raamt overschotten van 1,2 procent in 2019 en 0,8 procent in 2020. Mede daardoor neemt de staatsschuld af van ruim 405 miljard euro nu (52,4 procent van het bbp) naar 49,2 procent van het bbp in 2019 en 47,1 procent in 2020. Voor wat het waard is: het Internationaal Monetair Fonds raamt dat in 2023 de staatsschuld zelfs onder de 40 procent zakt.

Hoekstra krijgt geld toe

De voorspellingen voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën hangen nauw samen met de prognoses voor de economische groei en de rentestand. Voor dat laatste kan Nederland wellicht op nieuwe meevallers rekenen. Het besluit van de Amerikaanse centrale banken van vorige week om de rente in heel 2019 waarschijnlijk niet te verhogen, heeft inmiddels gezorgd voor een nieuwe daling van de rente op staatsleningen van westerse landen. En die rente wás al zo laag dat hij de afgelopen jaren in veel gevallen negatief werd.

Financieel informatiebureau Bloomberg berichtte maandag dat wereldwijd inmiddels op 10.000 miljard dollar aan schuld negatieve rentes gelden. Nog maar drie maanden geleden was dat op 8.000 miljard dollar aan schuld. De Nederlandse staatsschuld maakt daar deel van uit: alle Nederlandse staatsschuld met een looptijd tot ruim acht jaar heeft nu een negatieve rente. Dat betekent dat, wanneer minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) staatsleningen uitschrijft met deze looptijden, hij geld toe krijgt van beleggers, in plaats van dat hij rente betaalt. Zelfs zeer langlopende leningen, met looptijden van 25 jaar, hebben een rente van slechts 0,5 procent. De Duitse rente ligt overigens nóg iets lager. Zwitserland is kampioen, met een rente van 0,45 procent op tienjarige staatsleningen.

De zuinigheid heeft gevolgen: Nederland heeft van alle eurolanden bijna de laagste staatsschuldquote. Alleen in de drie Baltische staten, Luxemburg en Slowakije is hij lager. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voorziet voor 2019 in het hele eurogebied een gemiddelde staatsschuld van 85,6 procent. Hetzelfde geldt voor het Nederlandse begrotingsoverschot, dat een van de grootste is van alle eurolanden. Duitsland boekte over 2018 een overschot van maar liefst 58 miljard euro, zo 1,6 procent van het bbp, en is daarmee Nederland iets voor. De Duitse staatsschuld is, met 58 procent van het bbp in 2019, nog wel relatief groter dan de Nederlandse.

De combinatie van een dalende staatsschuld én dalende rentes heeft ervoor gezorgd dat de staat steeds minder geld kwijt is aan rentebetalingen. Begin deze eeuw ging er nog 2 procent van het bbp op aan rentebetalingen. Dat halveerde tot 1 procent in 2015 en halveert dit jaar nog eens, tot 0,5 procent. Italië, met zijn torenhoge staatsschuld, is voor dat er een cent overheidsgeld is uitgegeven, al 3,6 procent van het bbp kwijt aan rente. Dat percentage geldt overigens ook voor de Verenigde Staten.

Politiek debat

Het geld klotst in elk geval weer tegen de plinten met een enthousiasme dat aan de hoogtijdagen van het tweede kabinet-Kok (1998-2002) doet denken. De druk op de regering om iets met die enorme stroom meevallers te doen klinkt dan ook steeds harder, net als destijds. Steek het in de energietransitie, geef het aan de armen, subsidieer de kunsten!

Zolang de begrotingsregels zijn wat ze zijn, is dat echter niet mogelijk. Meevallers aan de uitgavenkant mogen alleen gebruikt worden voor tegenvallende uitgaven elders, meevallers aan de inkomstenkant mogen sowieso niet gebruikt worden. Die lopen, net als nu, rustig in het verder verlagen van de staatsschuld. Vooralsnog zonder enige vorm van politiek debat.

Lees ook de column: Is de staatsschuld te klein aan het worden?