Opinie

Innovatie in het onderwijs gaat voor de gymleraar

Onderwijsblog Voor innovatie is altijd wel een geldpotje, maar voor handenarbeid of een gezamenlijke lespauze niet, schrijft Tjip de Jong.

Foto Royal Images, Patrick van Katwijk/ANP

Onderwijsinnovatiekamers, innovatieversnellers, toekomstlaboratoria, innovatieprikkels op school. Soms krijg ik het idee dat ons onderwijs verslaafd is aan alles wat met het woord innoveren te maken heeft. Het ene innovatieve idee is nog niet af of er wordt alweer een volgend groot ‘baanbrekend’ project opgestart. Het lijkt wel of innovatie het verplichte antwoord is op alle acute onderwijsvraagstukken. De projecten gaan gehuld in prachtige termen: spelend leren, de school als leerplein, 21st-century skills of gepersonaliseerd leren.

In eerdere innovatietrajecten kan ik maar weinig terugvinden over de effecten van dit soort experimenten. Misschien is het makkelijker iets nieuws op te starten als de resultaten uitblijven dan te erkennen dat iets niet gewerkt heeft. Daarmee voorkom je gedoe. Al die extra innovatieprojecten moeten ook nog worden uitgevoerd door het schoolteam. Ik heb altijd geleerd dat als er iets nieuws op het lijstje komt, er ook iets vanaf moet. Hoog tijd om te stoppen met al die innovatiedrang op scholen en eerst eens een paar praktische problemen op te lossen. Maar dan moeten scholen wel afkicken van al die extra innovatiebudgetten.

Innovatiebudget

Vreemd genoeg is er voor innovatie in het onderwijs meestal wel een potje te vinden. En ik maar denken dat geldgebrek juist het probleem is op school. Zo hebben veel schoolbesturen moeite om hun gebouwen te onderhouden, of om een handvaardigheidsleerkracht aan te nemen. En zeker ontbreekt geld om externe hulp in te schakelen zodat leerlingen en leerkrachten tegelijkertijd pauze kunnen houden. Maar voor een spannend nieuw onderwijsexperiment of een innovatieagenda is gek genoeg wel budget. Een van de verklaringen ligt bij het ministerie van Onderwijs, dat een ambitieuze innovatieagenda heeft. Daar is geld voor vrijgemaakt naast het bestaande financieringssysteem. Besturen en allerlei externe partijen beginnen innovatietrajecten om bij dat geld te komen. Daar zijn ze best goed in.

Het leerplein en online dashboard

Ik sprak vorige week een leerkracht die me zuchtend vertelde hoe hij sinds dit schooljaar lesgeeft op een leerplein: „Ik ben het overzicht kwijt. Ik geef instructie aan groepjes, maar zie niet meer hoe ze hier vervolgens mee aan de slag gaan. Het observeren, monitoren en bijsturen op dat leerplein wordt gedaan door twee onderwijsassistenten. De binding met mijn leerlingen ben ik grotendeels kwijt en ik heb moeite zicht te houden op ieders ontwikkeling.”

Leerpleinen zijn vandaag de dag helemaal in de mode op scholen en het innovatieve antwoord om leerlingen les te geven in de zogenoemde 21st-century skills, zoals probleemoplossen, samenwerken, analyseren. Een leerplein is één grote ruimte waar kinderen uit verschillende groepen gezamenlijk en zelfstandig werken aan opdrachten. De lokalen die overblijven zijn kleiner of soms helemaal afwezig. Op deze (halfopen) werkplekken wordt instructie gegeven door de leerkracht. Wat bovenstaande leerkracht ervaart is als volgt te verklaren:

  • De leerkracht geeft de hele dag les en heeft minder zicht op de dagelijkse ontwikkeling van zijn leerlingen. Gerichte bijsturing, begeleiding en aanmoediging is lastig.
  • Het observeren op een leerplein wordt gedaan door de onderwijsassistent. Deze komt op zo’n leerplein grote niveauverschillen tegen maar heeft niet dezelfde bevoegdheid als een leerkracht om daar iets aan te doen. Zo mag hij of zij formeel geen instructie geven.
  • Kinderen kunnen zich slecht concentreren op zo’n leerplein. Er is al gauw lawaai en de onderwijsvorm doet een sterk appèl op de discipline en verantwoordelijkheid van de kinderen zelf.

Zo’n leerplein is een prachtig innovatief idee, maar in de praktijk moeilijk uit te voeren. Het vraagt meer afstemming in het team. De leerkracht die ik sprak, kreeg tegelijkertijd te maken met nog een innovatief project: een nieuw digitaal leerlingenvolgsysteem: „Ik kan met dit online dashboard de ontwikkeling van mijn leerlingen invullen en volgen. De criteria zijn honderd procent ‘evidence based’. Alleen de lijst per leerling is zo lang en complex. Er zijn allerlei subvragen over het persoonlijke leerproces van mijn leerlingen. Maar omdat dat grotendeels plaatsvindt op het leerplein kan ik dat niet goed volgen.”

Gepersonaliseerd leren is de nieuwste hype: het streven naar maatwerk voor elke leerling. Hoe jonger kinderen hiermee beginnen, hoe beter. Maatwerk is een slimme term. Durf daar maar eens tegen te zijn. Toch roept het allerlei fundamentele vragen op over leren op school:

  • Kan een kind ook onpersoonlijk leren?
  • Is het cruciaal dat alle schoolactiviteiten zich richten op maatwerk?
  • En is gepersonaliseerd leren eigenlijk wel een antwoord op het neergaande reken- en taalniveau dat gebaat is bij heldere instructie en herhaling?

Problemen verhullen

Elke gepassioneerde professional is continu dingen slimmer en handiger vorm te geven. Zelf vind ik het interessant om studies en artikelen te lezen over ontdekkingen en inzichten die mijn werk verrijken. Maar ik weet niet of je bij elk idee een nieuw project moet opstarten. Al die extra financieringspotjes verleiden scholen tot minder urgente zaken. Er zal vast ook iets slagen, maar ik vermoed dat veel problemen deels voortkomen uit die innovatieprojecten die problemen in ons onderwijs verhullen. Zo zijn er het oplopende lerarentekort, de onderfinanciering van het onderwijs de toename van rumoer in de klas en de neergaande populariteit van directe instructie bij pabo’s. Innovatieverslaving leidt schooldirecteuren en leerkrachten af van ‘simpele’ oplossingen en verbeteringen. Misschien is het een beter idee om dit innovatiebudget te gebruiken om goede rekenlesboeken te ontwikkelen, de gymleraar in ere te herstellen of meer met muziek in de klas te doen.

Een anti-innovatietaskforce

We zouden een anti-innovatietaskforce moeten hebben. Ik zie een mobiel team voor me dat rondrijdt door Nederland en scholen bezoekt die op het punt staan te beginnen aan een groot innovatieproject. Ze hebben maar één eis voordat groen licht wordt gegeven voor een nieuw traject: het hele schoolteam moet de volgende vragen beantwoorden:

  • Voor welk probleem is dit een oplossing?
  • Zou dit budget ook een ander probleem kunnen oplossen?
  • Waar werkt dit idee al? Let op: Scandinavische landen tellen niet mee.
  • Is er een onafhankelijk, wetenschappelijk openbare publicatie te vinden over de grondslagen en effecten van dit idee?
  • Heeft het team zin om hiermee aan de slag te gaan?

Het zijn misschien niet de spannendste vragen, maar ze zouden zomaar innovatieve inzichten kunnen opleveren.

Dr. Tjip de Jong is zelfstandig onderzoeker, docent en adviseur leren en ontwikkelen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.