Fossiele zeepok verraadt waar de walvis ooit zwom

Paleontologie Isotopen in de schelp van zeepokken die 270.000 jaar geleden meeliftten met baleinwalvissen vertellen nu waar ze geweest zijn.

Zeepokfossiel uit het Pleistoceen van de Amerikaanse westkust.
Zeepokfossiel uit het Pleistoceen van de Amerikaanse westkust. Foto Larry D. Taylor
Door onze redacteur

Honderdduizenden jaren geleden migreerden baleinwalvissen al. Net als tegenwoordig zwommen ze duizenden tot tienduizenden kilometers per jaar, van koude voedselrijke poolwateren naar tropische streken om zich voort te planten, en weer terug. Dat ontdekten biologen van het Smithsonian Tropical Research Institute en de universiteit van Californië, aan de hand van isotopen van zeepokken die zich op de walvishuid hebben vastgezet. Isotopen zijn atomen van hetzelfde chemische element, waarbij het aantal neutronen verschilt.

Wetenschappers vermoeden al langer dat migratie een belangrijke rol speelt in de evolutie van baleinwalvissen, maar routes waren niet te achterhalen. Bij fossiele tandwalvissen (die niet zulke grootschalige migraties kennen) zijn leefgebieden wel achterhaald aan de hand van de isotopenverhoudingen in hun tanden; baleinen zijn echter ongeschikt om zulke ratio’s te vergelijken, schrijven de biologen in PNAS. Het calciet in de zeepokschelpen legt zulke ratio’s wél vast, met als voordeel dat walvissoorten vaak hun eigen zeepoksoort hebben. Aan de schelp herken je z’n eigenaar. Zo komt Cryptolepas rhachianecti voor bij grijze walvissen en Coronula diadema bij bultruggen.

De biologen onderzochten van fossiele zeepokken uit de Stille Oceaan de relatieve hoeveelheid van het zuurstofisotoop 18O ten opzichte van het lichtere 16O. In tropische regionen van de oceaan is die ratio anders dan in poolgebieden, en dat is terug te zien in de schelpen van zeepokken. Uit het onderzoek blijkt dat fossiele zeepokken sterk wisselende 18O-waarden laten zien, net als moderne zeepokken, doordat de walvissen tijd doorbrachten in verschillende delen van de oceaan, terwijl de zeepokken almaar bleven doorgroeien op hun huid. Kortom: de walvissen migreerden, en de zeepokken dus ook.

En juist omdat de 18O-fluctuaties in de fossiele schelpen zo sterk overeenkomen met die in huidige schelpen, is het aannemelijk dat vroegere migratieroutes van walvissen gelijk waren aan de huidige routes. Ook de redenen kwamen waarschijnlijk overeen: voortplanting en voedsel.

De onderzochte schelpen waren tot 270.000 jaar oud, maar mogelijk begon de walvismigratie nog eerder. De vroege migratie had waarschijnlijk invloed op de walvisevolutie, denken de onderzoekers: zo kan migratie ertoe hebben geleid dat de dieren groter werden, omdat grootte zou helpen bij het afleggen van grote afstanden.