Bellenblazende kamelen wijzen de weg

Tosca Niterink en Anita Janssen wandelen in Marokko. „Vanwege een zandstorm zien we niet veel van de woestijn.”

„Zand nestelt zich in alle kieren en spleten” Foto Anita Janssen
„Zand nestelt zich in alle kieren en spleten” Foto Anita Janssen

Kamelen blazen trouwens bellen. Ze hebben daar niet eens kauwgom voor nodig. Ze doen dat namelijk met hun tong. Vraag me niet precies hoe, maar op een of andere manier weten ze daar lucht in te blazen. Ze maken daar een zompig, kletterend geluid bij, een soort gorgelend gegrom. Dan verschijnt er eerst dik wit schuim op hun bek. (Als iemand het voor de grap op je cappuccino zou doen dronk je het zo op.) Grote vlokken wit schuim die, zeker met de zandstorm waar we nu in zitten, wild alle kanten opvliegen.

Als het even mogelijk is gaan ze daarna uitgebreid op zoek naar al dat weggewaaide foam en likken het snel weer op. Je wist al dat kamelen zuinig zijn met hun watervoorraad, maar dit wist je vast niet. Terwijl ze dat schuim aan het produceren zijn, weten ze op een of andere manier de zijkant van hun tong op te blazen. Dan hebben ze ineens een grote roze bel (van pompoen afmetingen) aan de zijkant van hun bek hangen. Een wild heen en weer bewegende, natte, klapperende zak van opgeblazen rosbief.

Maar troost je, het zijn enkel de mannetjes die dit doen. Natuurlijk als ze opgewonden zijn, en dat zijn ze om de haverklap. Wij hebben alleen mannetjes bij ons. Zes stuks. Want die kunnen het meeste dragen.

Dus je begrijpt wat een spektakel het moet zijn als we klapperend en schuimend voorbij lopen. Jammer alleen dat we niemand tegenkomen en als we al iemand tegenkomen zien we dat niet eens vanwege die zandstorm waar we al dagen doorheen marcheren.

We vertrekken elke dag in alle vroegte en worstelen vijftien tot twintig kilometer door het zand. Van dat fijne zand dat zich in alle kieren en spleten nestelt. We zien niet veel van de woestijn, die prachtig moet zijn heb ik gehoord, want we kunnen onze ogen niet open doen, ook vanwege die zandstorm. Daarom oriënteren we ons op het geluid van de bellenblazende kamelen die eigenlijk dromedarissen zijn. Ik weet ook niet waarom iedereen ze kamelen noemt. Het is net als met die valk van Van der Valk die eigenlijk een toekan is.

Zodra we halt houden om ons kampement op te slaan, binden de mannen de voorpoten van de dromedarissen aan elkaar vast met een kort touw zodat ze alleen hele piepkleine stapjes kunnen maken. Of ze binden hun onderpoot vast aan hun bovenpoot, zodat ze alleen maar op hun knieën kunnen lopen. Toch kunnen ze zo nog kilometers vooruit komen. Het kost de Bedoeïenen ’s avonds uren om ze allemaal weer terug te vinden. Ze verraden zich natuurlijk uiteindelijk door dat bellenblaaskabaal.

Daarna dansen we meteen onopgewarmd en broodnuchter de polonaise rond het kampvuur. Je kan wel zeggen dat we ergens doorheen zijn gegaan. Een aanrader dus, zo’n wandeling door de Sahara. Al is het maar vanwege het groepsproces en het fantastische eten.