Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Een hengst

Mijn moeder had gehoord dat je bij een boek van mij voortaan gratis een boek van Jan Siebelink krijgt. Ook als je er geen wilde hebben. Had de boekhandelaar in de Emmastraat in Velp haar verteld. En verder had de vrouw van de trombosedienst haar tas laten staan. In die tas zat een peer.

„Die gaat natuurlijk rotten.”

Ik zei: „Het is het boekenweekgeschenk, mama.”

Zij: „Ik kies mijn cadeaus liever zelf.”

Ik merkte dat er iets veranderd was: eerder had zo’n opmerking gewerkt als pokon voor een plant, maar sinds de vriendin namens de VARAgids bij de Siebelinks thuis was geweest, was ik milder over de schrijver gaan denken. Ze had de bekende rondleiding naar de schrijfkamer en terug en een madeleine van Gerda bij de thee gehad en zei bij thuiskomst dat het ook maar mensen waren. Aardige mensen met een abonnement op NRC, dus ze lazen dat gezeur van mij en mijn moeder altijd.

Toen ik hem de volgende avond in het middelpunt zag staan op het Boekenbal kreeg ik sterk de neiging om naar hem toe te gaan om hem een hart onder de riem te steken.

In mijn hoofd een openingszin waarvan ik dacht dat hij wel zou werken. Iets in de trend van: ‘Nou, ze moeten Velp wel hebben, hè?’, want we hadden voor onze werkjes alle twee maar één bal gehad in het boekenkatern. Ik wilde hem voorstellen om samen op recensentenjacht te gaan. Nou ja die van mij was er natuurlijk niet, dat is maar een onderdeurtje anders deed hij wel wat anders dan de voetbalboekjes, maar die van hem dan toch wel. Ik had hem zelfs al gesproken, aardige jongen. Hij en zijn innemende chef hingen samen op de omloop tegen de muur met schilderijtjes.

Ik stond inmiddels in de rij. Jan en Gerda stonden op een verhoging, iemand kuste zijn hand. Ik dacht, ik zeg het op z’n Velps.

„Ai je ze een hengst vur de zuigert wilt geven, dan kan dat. Ze staon daar.”

En dan wijzen.

Jezus, daar sprong Freek de Jonge op hem af, ik wist toen nog niet van zijn statement tijdens het openingsprogramma. Omhelzing van twee bejaarden met klopjes van Gerda op de rug, ik deinsde ervan terug.

Toen zag ik het pas: hij had net als ik een rood colbertje aan, en we hadden hetzelfde kapsel, te lang voor de leeftijd. Echt Velps.

De vriendin trok aan mijn mouw: ‘kom nou, kom nou mee’.

Het was goed dat ze me uit de rij plukte, nog een overeenkomst: alletwee een verstandige vrouw.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.