Julia Shaw: „Het gekke is dat we het kwaad nog steeds associëren met seriemoordenaars en verkrachters.”

Foto Roger Cremers

‘Onze engheidsmeter is onbetrouwbaar’

Julia Shaw, criminoloog en forensisch psycholoog Het kwaad is niet onmenselijk. Het zit in ieder van ons. „Wat ik wil zeggen: vertrouw de signalen die je krijgt op ‘abnormaal’ niet.”

Zou je de baby Adolf Hitler vermoorden? Er zijn mensen die deze vraag gebruiken om hun relatie te testen, vertelt de Canadees-Duitse criminoloog en forensisch psycholoog Julia Shaw (32). „Wie ja antwoordt, is ervan overtuigd dat het kwaad genetisch is bepaald. Wie nee antwoordt, denkt dat je iemands leven kan bijsturen. Ik ken mensen die hun relatie hebben verbroken omdat de partner antwoordde: ik zou baby Hitler vermoorden. Dan was het: oooh, je bent een babymoordenaar!”

Shaw gebruikt het voorbeeld ook in haar onlangs in vertaling uitgekomen boek Het kwaad. Door het neurowetenschappelijk te benaderen, wil ze laten zien dat het kwaad niet onmenselijk is, en dat het in ieder van ons zit. Shaw doceert criminologie en psychologie aan de London South Bank University en het was tijdens een van die colleges dat ze besloot over het kwaad te schrijven, vertelt ze in een Amsterdams grachtenhotel. „De discussies tussen de studenten over het kwaad waren heftig. Iedereen had een stevige mening, waardoor me duidelijk werd hoe subjectief het begrip kwaad was.”

Waar zaten de verschillen in?

„Studenten met een moeilijker achtergrond, bijvoorbeeld door een ouder die in de gevangenis zat of familieleden met een drugsprobleem, hadden een genuanceerder beeld. Ze zagen het kwaad meer als iets dat bij iedereen hoorde. Veel mensen hebben nog te vastomlijnde ideeën over wat het kwaad is, als iets wat bij ‘de ander’ hoort, waardoor je die ander makkelijker wegzet. Die benadering is schadelijk voor een samenleving. Het is makkelijk mensen als ‘slecht’ buitenspel te zetten, in plaats van accepteren dat ze een keer – of vaker – een foute beslissing namen. Vasthouden aan het kwaad belemmert empathie. We gaan er ook van uit dat het kwaad iets objectiefs is, maar dat is niet zo.”

Denkt u dat we bereid zijn om het kwaad met meer nuance te bekijken?

„Ja, er is veel interesse in true-crime-series, om psychopaten beter te begrijpen en in het hoofd te kruipen van moordenaars. Het lijkt alsof steeds meer mensen benieuwd zijn naar de vraag waarom iemand tot een bepaalde daad overging, of hoe we zulke daden kunnen voorkomen. Er is honger naar meer verklaring.”

U denkt dat kijken naar true-crime-series empathieverhogend is?

„De mensen die kijken, willen spannende verhalen. Maar ik denk ook dat kijkers zich afvragen: wat is er gebeurd en waarom? Ik vermoed dat mensen toe zijn aan de volgende stap. Het gekke is wel dat we het kwaad nog steeds associëren met seriemoordenaars en verkrachters. Waarom denken we bij het kwaad niet aan de schade aan het milieu, de schade die we onszelf toebrengen? De schade die cybercrime veroorzaakt, is veel groter dan een seriemoordenaar zou kunnen. Dat de meeste studies in de criminologie geen hoofdstuk wijden aan cybercriminaliteit, vind ik absurd.”

In uw conclusie schrijft u dat soms dingen ‘onvergeeflijk’ zijn in plaats van slecht, wat is het verschil?

„Zelfs al probeer je het kwaad te nuanceren, dan is nog niet alles te excuseren. Als je zegt dat iets onvergeeflijk is, dan maak je de dader niet onmenselijk, maar dat doe je wel wanneer je iemand inherent slecht noemt. Dan zeg je: we willen jou er niet bij hebben.”

Is onvergeeflijk niet nog veel erger? Dat is niet meer goed te maken, waar het kwaad dat wel is.

„Er zijn dingen die niet te excuseren zijn, maar het kwaad is iets voorbij het menselijke. Als je iemand in die categorie plaatst, is de volgende stap al snel dat je mensenrechten niet meer accepteert.”

In uw boek leunt u vaak op neurologische verklaringen. Helpt dat om anders te denken over het kwaad?

„Dat is te simpel. Je kunt niet naar hersenen kijken en zeggen: deze persoon is gewelddadig. Ik heb het in mijn boek over psychopaten en pedofielen, die als vertegenwoordigers van het kwaad worden gezien. Dat is deels af te lezen aan de hersenen. Maar als uit een scan blijkt dat je kenmerken hebt van een psychopaat, dan ben je niet meteen schadelijk voor een maatschappij. Je kunt met scans wel kijken waar de onderliggende neiging tot geweld ligt, waar een deel van de oorsprong ligt, maar je kunt nooit voorspellen wie gewelddadig zal zijn of worden. Het zijn altijd de omstandigheden die dit uitlokken.”

De eigenschap pedofilie is te lokaliseren in de hersenen, stelt u. Denkt u dat er empathischer op pedofilie gereageerd kan worden wanneer we ons realiseren dat het aangeboren is?

„Dat het biologisch is bepaald, is wel zeker. In onze samenleving zal niemand zeggen: ik kies bewust voor deze seksuele afwijking. Maar ook hier geldt: er zijn veel pedofielen die hun seksuele voorkeur niet omzetten in daden. Ik hoop dat wat er nu speelt rondom Michael Jackson losgekoppeld wordt van het individu en dat we het gaan hebben over het taboe om erover te praten.”

Lees ook: Een poging het kwaad te begrijpen

Ons brein plaatst wat we niet begrijpen snel in de categorie kwaad. Komt daaruit ook racisme voort?

„Ja, er is een deel van de hersenen dat mensen die er afwijkend uitzien afwijst. Dat geldt niet alleen voor mensen met een zichtbare handicap, maar ook voor immigranten, een andere huidskleur dan de jouwe. Wat ik eigenlijk wil zeggen: vertrouw de signalen die je krijgt op ‘abnormaal’ niet – je ‘engheidsmeter’ is compleet onbetrouwbaar. Als je hersenen het signaal geven: ‘er is dreiging’, vraag je dan eerst af of die terecht is. Als het alleen een gevoel is, zonder daadwerkelijke aanleiding, negeer dat signaal. Gelukkig hebben we de capaciteit om ons basisinstinct te overrulen.”

Wat is uw antwoord op de vraag of u baby-Hitler zou vermoorden?

„Ik zou niet teruggaan om baby-Hitler te vermoorden, omdat ik denk dat baby’s doden verkeerd is. Ik zou kijken of ik hem had kunnen afleiden van de rassenleer. Het waren niet zíjn ideeën, dus ik zou proberen hem weg te houden bij de ideeën die er toen waren. De omstandigheden waarin iemand leeft, de heersende ideeën op een bepaald moment: ze spelen allemaal een grote rol.”