Recensie

Recensie Boeken

Dat moment waarop je radicaal breekt met het bekende om jezelf te kunnen zijn

Wessel te Gussinklo In een fraaie roman over een opstandige jongen laat de schrijver opnieuw zijn grote kracht zien. (●●●●●)

Illustratie Paul van der Steen
    • Sebastiaan Kort

Een collega vroeg zich onlangs af hoe je het Duitse woord Hochstapler zou moeten vertalen; windbuil en zwendelaar werden overwogen. Oplichter, wat vertaler Dirk Salomons gebruikte toen hij Thomas Manns Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull naar het Nederlands overzette, voelde voor dit specifieke geval dan weer te sterk.

Met de verschijning van de nieuwe roman van Wessel te Gussinklo (1941) is een, in wezen voor de hand liggend, antwoord op het vraagstuk gevonden. Hoogstapelaar: een in totaal onbruik geraakt woord. Uit de paar regeltjes die Van Dale er aan besteedt valt op te maken dat een hoogstapelaar behalve een oplichter ook kan slaan op een ‘zwarthandelaar die tijdens WOII opschepte over zijn fictieve voorraden’. Een wereld ontvouwt zich voor je geestesoog. En daarnaast kan een hoogstapelaar ook nog een ‘leugenachtige opschepper’ zijn.

Deze laatste definitie komt het dichtst in de buurt bij wat Te Gussinklo met zijn personage Ewout Meyster neerzet. Een Ewout Meyster die nu zeventien jaar oud is en die eerder een jongen van negen was in De verboden tuin (1986) en een van veertien in De opdracht (1995). Vooral die tweede roman geniet een behoorlijke reputatie, vooral onder fijnproevers en veellezers. Zo heeft Trouw-criticus Rob Schouten het op de achterkant van de laatste druk van het boek bijvoorbeeld over ‘een van de allerbeste boeken van de Nederlandse naoorlogse literatuur’.

En het ís ook goed, dat op en top verzenuwde, psychologische en zintuiglijke verslag van een verblijf in een zomerkamp op de Veluwe in de jaren vijftig. Meyster heeft een moeizame verhouding met de mens en de schepping in het algemeen en tracht in dat kamp krampachtig respect en aanzien af te dwingen bij de andere jongens. En dat terwijl hij ze helemaal niet hoog aan slaat, die simpele zielen of ‘achterbuurters’. Nee, Roosevelt en Churchill: dat waren pas kerels van belang. Zo moest je wezen. Een kwestie van ‘persoonlijk-magnetisme’. Meyster heeft het. Hoopt-ie. Een beklemmende nederlaag, in De opdracht uitgestreken over 550 pagina’s tekst. Een aanslag op de zenuwen.

Losser in de heupen

Goed dus, maar ook een bord havermout waar wel een extra scheut melk bij had gemogen. Met elke psychevorsende zin kon je wel iets, maar op een gegeven moment was de buik gevuld. Het is dan ook prachtig om te zien dat Te Gussinklo zijn ambacht op hoge leeftijd heeft verrijkt, verfijnd eigenlijk, want De hoogstapelaar is lichter, muzikaler en daardoor als geheel beter in balans. De opdracht las als een bevalling, maar dit nieuwste deel (als alles goed gaat zal er in de toekomst nog een vierde, afsluitend deel verschijnen) is losser in de heupen. Al in de openingshoofdstukken wordt dat duidelijk, als Ewout een jazzclub (we schrijven de late jaren vijftig) met een paar vrienden bezoekt. ‘“Jongens!” riep Ewout over het gesnerp en gedaver heen, links en rechts naar hen kijkend, een lach op zijn gezicht. “Dat is pas muziek hè! Moet je horen! Verdomme…!” ‘Verdomme’, een woord als een bevestiging, een krachtige, definitieve vaststelling. Hierover was geen twijfel mogelijk: geweldige muziek, fantastische muziek – die knallende slagen, dat roestige snerpen; bijna of hij het zelf deed, zelf trommelde en floot, dat onweerstaanbare, machtige geluid zelf voortbracht.’

Je voelt aan alles dat een jongen als Ewout – egocentrisch, sensitief en opstandig – zijn heil zal moeten zoeken in de kunsten. De hoogstapelaar sluit precies dat moment in, dat kolkende, schurende levensfragment waarop iemand radicaal met het vertrouwde zal moeten breken om zichzelf te kunnen zijn, om de energie ergens in om te kunnen zetten – in plaats van dat deze naar binnen slaat. Schrijver zal hij wel worden waarschijnlijk, maar voor het zover is zet hij zijn woorden in voor iets anders, namelijk voor de vocale bespeling van anderen. De hoogstapelaar barst van de ‘ontmoetingen’, momenten waarop Ewout een van zijn vrienden agressief of juist behoedzaam een richting op probeert te dirigeren. Wees toch eens wat brutaler richting die brave ouders van je, breek eens los, word eens een ‘persoonlijkheid’.

Er zijn verschillende verklaringen voor dit gedrag aan te wijzen, maar het belangrijkste is dat Ewout iets met taal wil forceren. Hij probeert zijn pen nog niet uit, maar zijn tong. Te Gussinklo deelt hier, twee jaar na het mooie De Weergekeerde Bloem, opnieuw zijn fascinatie voor de redenaar, voor de schrijver die de rust nog niet kan vinden om achter een bureau aambeien te verzamelen.

Leiderschap

Ewout, die geen vader meer heeft en schijt aan zijn bezorgde moeder, masseert zijn vrienden al babbelend richting rebellie en dwingt zo, als een soort rattenvanger van zijn tijd, een leiderschapspositie af. De vrienden hebben wel door dat ze met een bijzondere jongen te maken hebben. Maar kunnen ze zelf de vrijheid wel aan die Ewout bij ze stimuleert? ‘“Ik droomde pasgeleden”, zei Meindert, “dat ik bij een brede verkeersweg stond met allemaal langs mij rijdende auto’s. En op de stoep aan de andere kant van de weg stond jij tussen allemaal belangrijke mensen, professoren en zelfs ministers”, Meindert knikte gelaten, “en schrijvers als Mulisch en Vestdijk en zo. En jij had het hoogste woord, en ze luisterden allemaal eerbiedig naar je. En ik wilde naar je toe gaan, de weg oversteken om bij jou te zijn, maar dat kon niet, er waren te veel auto’s, het was te druk. En toen keek ik om me heen en overal aan mijn kant stonden debielen.”’

Ik zal maar toegeven dat ik weinig weerstand op kan brengen tegen zulk soort passages, hilarisch vanwege dat slotwoord en roerend door dat ‘om bij jou te zijn’. Die laatste eigenschap, dat roerende, heeft Te Gussinklo er heel subtiel in gestoken, het wordt als het ware lang aan het oog onttrokken door de doorlopende lawine van retorische spitsvondigheid. En waar de lezer zich dus door laat inpalmen, maar de mensen door wie Ewout wordt omgeven net zo goed. Ze zien zijn taal, zijn houding, ze zien die generator van afkeer, die dwarsheid, maar ze hebben niet door dat ze naar een schild kijken, en niet naar een speer. ‘Alles moet anders’, besluit Ewout, na een finale waarin hem eindelijk de mond is gesnoerd.

Alles moet anders, alles moet alleen. Het is niet anders.