Oude kalksteengroeve in Limburg is nu Walhalla voor zeldzame insecten

Biologie Negentig jaar lang won de Eerste Nederlandse Cement Industrie kalksteen op de Zuid-Limburgse Sint-Pietersberg. Nu wordt de voormalige groeve een trekpleister voor recreanten én insecten.

Van 1928 tot 2018 werd er kalk gewonnen in de ENCI-groeve.

Foto Chris Keulen

‘Eens kijken wat de vangst is.” Insectendeskundige Paul Beuk schroeft een witte plastic pot los, die op een van de uiteinden van een tentstok is bevestigd. We staan naast een driehoekig tentje op de noordhelling van de Zuid-Limburgse ENCI-groeve. Tot 2018 werd hier, op de Sint-Pietersberg net buiten Maastricht, kalksteen gewonnen. De Eerste Nederlandse Cement Industrie ontstak haar eerste ovens negentig jaar eerder, op 7 september 1928. Beetje bij beetje werd de berg (bestaande uit Limburgse mergel, een zachte kalksteenvariant) vervolgens afgegraven. Per 1 januari 2020 komt het restant, ruim 120 hectare groot, onder beheer van Natuurmonumenten – in de toekomst moeten recreanten én dieren en planten zich hier thuisvoelen. Een deel van het terrein is nu al toegankelijk voor wandelaars.

Sommige diersoorten veroverden al jaren geleden een plekje in de groeve. De oehoe, met een spanwijdte van zo’n 1,75 meter een van de grootste uilensoorten ter wereld, broedt al sinds 1998 in de wanden van de Limburgse mergel. Andere soorten zijn kleiner, en nieuwer. De insecten waarnaar Beuk op zoek is, bijvoorbeeld.

„Geen slechte oogst voor deze tijd van het jaar”, zegt hij, turend in de pot. Naast ons wappert de tent in de wind. Halfdoorzichtig donkerblauw gaas – je zou er in dit frisse winterweer niet graag in overnachten. Dat hoeft ook niet, want de tent is puur bedoeld als val. Een malaiseval, vernoemd naar de Zweedse entomoloog René Malaise, waarin vliegen, muggen en wespen nietsvermoedend binnenvliegen en vervolgens op zoek gaan naar de uitgang, steeds hoger en hoger. Tot ze, in de nok van de tent, in een trechter terechtkomen. „En vanaf daar in deze pot met alcohol. Kijk, hier drijft een wintermug. En daar een verdwaald spinnetje, en wat kevertjes.” Soms ook belandt er een sprinkhaan of koninginnenpage in, „maar dat gebeurt hooguit een paar keer per jaar”. Vooral kleine, vliegende insecten belanden in de val.

De val staat hier sinds april 2018, en pakweg eens per week wordt de pot verwisseld, door een vrijwilliger van Natuurmonumenten of door Beuk zelf. Vervolgens bestudeert hij, op zijn werkplek bij het Natuurhistorisch Museum Maastricht, de inhoud van de pot in meer detail.

Beuk is als entomoloog getraind om de millimetergrote vliegen en muggen op soort te determineren. Soms ontdekt hij soorten die nieuw zijn voor Nederland. Of, zoals afgelopen november: geheel nieuw voor de wetenschap. Hij had net de eerste malaisevalresultaten uit de ENCI-groeve uitgewerkt – elke vangstbeker betekent minstens vier uur uitzoekwerk onder de microscoop – en daarin zaten twee onbekende soorten. „Een bocheldansvlieg en een paddenstoelmug. Beide moeten nog een officiële wetenschappelijke naam krijgen; dat doe ik samen met een Belgische en een Noorse entomoloog. Die hebben allebei min of meer gelijktijdig diezelfde vlieg en mug ontdekt, respectievelijk in Brussel en in Noord-Zweden.”

In totaal vlogen er in dat halfjaar honderden insectensoorten in de val op de kalksteenhelling. Naast de twee geheel nieuwe soorten waren er achtentwintig soorten nieuw voor Nederland. De Menozziola-bochelvlieg bijvoorbeeld, die parasiteert op reuzenmieren door eitjes te leggen op een jonge koningin, waarna de larven die van binnenuit opeten. Reuzenmieren zijn zeldzaam in Nederland, dus Beuk was blij met die vondst: het zou kunnen betekenen dat die mierensoort óók in of nabij de groeve voorkomt.

Dertig nieuwe soorten: een opvallend hoge score, die deels te maken heeft met de locatie van de tent. De directe omgeving bestaat uit kalkgrasland, een voor Nederland zeldzaam vegetatietype dat alleen in Zuid-Limburg te vinden is. Beuk: „Op hellingen waar de winning gestopt werd, raakte de kalk overgroeid met grassen en met plantensoorten als rolklaver en vleugeltjesbloem. Vooral die laatste soort – een kleine plant met ranke paarse bloemen – is kenmerkend voor kalkgrasland.” Ook wondklaver en honingklaver groeien op de vlakte. „Allemaal bloemen die nectar bevatten. In theorie zou je zelfs ENCI-honing kunnen produceren in de toekomst.”

Het huidige oppervlak kalkgrasland in Nederland bedraagt zo’n 30 hectare, waarvan ruim 5 hectare zich op de Pietersberg bevindt. Ter vergelijk: een voetbalveld is zo’n 0,7 hectare.

20.000 gangen

Sinds 2015 is de provincie Limburg samen met België bezig met het grensoverschrijdende, 15 miljoen euro kostende natuurproject Pays Mosan, grotendeels gefinancierd door de Europese Unie. In totaal wordt een paar honderd hectare kalkgrasland hersteld, waaronder ook zinkgrasland, dat door zink in de kalkbodem plaats biedt aan zeldzame zinkflora (zoals het zinkviooltje). Ook zullen kalkgraslanden met elkaar worden verbonden.

Zinkflora groeit hier op de Pietersberg niet, maar de vegetatie is niettemin bijzonder: al in de zestiende eeuw kwamen biologen hierheen vanwege plantensoorten als aarddistel en kalkwalstro. Ook de beroemde Zweedse botanist Linnaeus bestudeerde er in 1738 de unieke kalkflora.

De geschiedenis van kalksteenwinning op de Sint-Pietersberg gaat veel verder terug in de tijd dan 1928. Al in de vijftiende eeuw begon hier de grootschalige kalkwinning: de bisschop van Luik deed een beroep op de inwoners van Maastricht om kalk te leveren, omdat zijn stad door oorlogsgeweld in puin lag. De Sint-Pietersberg werd destijds beheerd door paters die een groep arbeiders in dienst namen. Steeds dieper groeven zij in een stelsel dat uiteindelijk uit zo’n 20.000 gangen zou bestaan, met een gezamenlijke lengte van 200 kilometer. De kalksteen zelf is zo’n 66 miljoen jaar oud en dateert uit het Krijt. Limburg was in die tijd nog een tropische zee, vandaar dat er in de groeve veel fossiele schelpen zijn gevonden.

Ook nu is het vaak warmer in de groeve dan in de omgeving, zegt Beuk. „Ik heb nog een tijdje een datalogger op de val geïnstalleerd om te kijken hoe warm het hier werd en hoe hard het waaide. Op windluwe dagen bereikte je hier soms tropische temperaturen.”

Kalksteen houdt warmte vast en in combinatie met beschutte hellingen (vrijwel altijd liggen kalkgraslanden op heuvelachtig terrein) zorgt dat voor een microklimaat waardoor het op kalkgraslanden vaak warmer is dan op andere graslanden. Beuk: „Zeker op hellingen die veel in de zon liggen kan de temperatuur flink oplopen. Afgelopen zomer was het hier soms niet om uit te houden. Maar die combinatie van de warme, droge kalkbodem met de plantenrijkdom trekt allerlei insecten aan. Op de meer open delen vind je bijvoorbeeld graafbijen en -wespen, terwijl je op het gras onder andere spoorcicaden aantreft, die de stengels gebruiken om al roffelend met elkaar te communiceren. En allerlei vliegen en muggen dus.”

Een vrijwilliger van Natuurmonumenten controleert de malaiseval in de ENCI-groeve.

Foto Chris Keulen

Hilltopping

Dat de malaiseval juist hier staat, boven aan de helling, is geen toeval: hogerop gelegen gedeelten zijn voor insecten vaak een ontmoetingsplek. „Dat verschijnsel heet hilltopping. Zeker op windluwe momenten is een heuveltop of de bovenkant van een helling voor veel insecten dé plek om een partner op te pikken. Soms paren ze ter plekke, soms vliegen ze in paringsstand naar een rustiger plekje.”

De tent staat bovendien precies op de scheidslijn tussen twee vegetatietypen: het kalkgrasland aan de ene kant, een geuldal met bosschage aan de andere kant. Beuk: „Van die zijde komen weer heel andere insecten aanvliegen; daardoor is de vangst hier extra divers. En dan heb je óók nog insecten die letterlijk komen aanwaaien vanaf de overzijde van de groeve. De wind staat vaak deze richting uit.”

De alcohol in de malaisepot zorgt niet alleen voor goede preservatie van de dode insecten, zegt hij. „Het zorgt er ook voor dat het allemaal wat makkelijker naar buiten komt.” Met ‘het’ bedoelt hij de mannelijke geslachtsdelen – vaak worden de millimetergrote vliegen en muggen puur op basis dáárvan gedetermineerd. „Het mannelijk geslachtsapparaat is bij die soorten vaak voorzien van allerlei uitsteeksels, borsteltjes, haakjes waaraan je ze kunt onderscheiden. En mannelijke wenkvliegjes, bijvoorbeeld, hebben uitsteeksels op de voorpoten die corresponderen met gevoelige plekken op de vleugels van vrouwtjes. Als je één zo’n uitsteekseltje verwijdert dan wordt die erogene zone niet geplaagd en vindt er geen paring plaats.”

In de jaren zeventig en tachtig hebben er ook al op andere plekken in de ENCI-groeve malaisevallen gestaan, vertelt Beuk terwijl we over het kalkgrasland wandelen. „Daar was de kalksteenwinning al langer gestopt, dus het is interessant om nog eens te kijken welke soorten we daar toen vonden. Hier is het kalkgrasland nog heel pril, en volop in ontwikkeling. Het is dus nog te vroeg om iets te zeggen over mogelijke trends. Daar moet je minstens twee, drie jaar verder voor zijn. Naarmate de zode dichter wordt, zullen ook andere insectensoorten zich laten zien.”

Beuk raapt een stuk vuursteen op. „Dit was eerst één grote vuursteenbult – geologisch afval in feite, voor een cementfabrikant – en daar is later maagdelijke kalk overheen gestort. Daar groeit niets automatisch op, dus is er drie jaar geleden maaisel van kalkgraslanden uit de buurt aangevoerd.” Hoe de vegetatie zich de komende jaren zal ontwikkelen, wordt door wetenschappers en studenten van de universiteit van Maastricht in de gaten gehouden.

We passeren enkele schapenkeutels – Natuurmonumenten laat mergellandschapen grazen in de groeve – en een vossendrol. „En hier is een duif gesneuveld. Waarschijnlijk het werk van een buizerd.”

We lopen het kalkgrasland weer af en doen achter ons het hek op slot; pottenkijkers zijn hier niet welkom, daarvoor is dit deel van het gebied te kwetsbaar.

Nu de werkzaamheden zijn gestopt, is het gebied toegankelijk voor recreanten.

Foto Chris Keulen

Oehoe-adoptie

Ook de om de hoek gelegen oehoevallei is verboden terrein. Zélfs voor Beuk. Af en toe komen er ornithologen voor vogelonderzoek, en voor bezoekers is er een uitkijkpost langs de rand van de groeve en worden er soms excursies georganiseerd, vertelt boswachter Anke Brouns van Natuurmonumenten. „Zeker nu in het voortplantingsseizoen kun je de baltsroep van de oehoe ook heel goed horen.” In de wanden van de voormalige groeve zijn extra richels gemaakt voor rust- en broedplekken. In 2018 werden voor het eerst met zekerheid twéé oehoebroedpaartjes gesignaleerd. Brouns: „Zolang de vogels elkaar niet zien, is dat geen probleem, maar ze moeten niet te dicht op elkaar zitten. Oehoes zijn heel territoriaal.”

Ruim twintig jaar geleden was de ENCI-groeve de eerste plek in Nederland waar oehoes zich vestigden. Inmiddels komen er in totaal zo’n twintig broedparen in ons land voor, vooral in het zuiden en oosten. Brouns: „Oehoes broeden soms ook op de grond, of op hellingen. Maar steile kalksteenwanden zijn wel geliefd. Ook in Duitsland komen er oehoes in kalksteengroeves voor. In 2017 was daar nog een jong ernstig gewond geraakt door een val in een van de machines van de groeve. Het was niet mogelijk het jong met de ouders te herenigen, hij is toen geadopteerd door een ander oehoepaar. Met succes.” Oehoes eten onder meer duiven, egels, watervogels en zelfs af en toe jonge vosjes, vertelt Brouns. „Allemaal soorten die in de groeve voorkomen.”

Op het haast onnatuurlijk ogende blauwe water zwemmen enkele krakeenden. De fijne mergeldeeltjes geven het water de kenmerkende kleur; de plassen ogen daarmee een beetje als gletsjermeren. De diepste plas zou aanvankelijk gebruikt worden als zwemwater, maar die was direct na de opening zó populair dat het er te druk en daarmee te onveilig werd. Brouns: „Die diepe plas is voedselarm, dus daar leeft weinig. Maar in de ondiepere plassen leven onder meer vroedmeesterpadden.” Dat die zeldzame pad zich hier zo thuisvoelt, is volgens haar mede te danken aan de verhoogde temperaturen in de groeve. „Beneden ben je volkomen uit de wind en kan het zo vijf of zes graden warmer zijn dan boven aan de rand.”

Wat dat betreft hebben de vleermuizen in de ENCI-groeve het beter bekeken. In het afgesloten gangenstelsel, bestaande uit honderden kilometers afgegraven tunnels, is het zomer én winter 10 graden Celsius. Vijftien van de negentien in ons land levende vleermuissoorten zijn er in het verleden aangetroffen, waaronder de vale vleermuis en de baardvleermuis. In de schemering komen ze hun schuilplaatsen uit en gaan ze op voedseljacht. Beuk: „Ook zij zijn blij met al die insecten hier in de groeve.”