Opinie

NRC en de making of Baudet: negen jaar baudisme, baudologie en baudetterie

De ombudsman

Het begon bescheiden, met een brief. In 2008 tekende „Thierry H.P. Baudet (1983), jurist” in NRC protest aan tegen een vergelijking van Pim Fortuyn met de extreem-rechtse Oostenrijkse politicus Jorg Haider. Dat was „een zeer zware beschuldiging” en een vorm van „heksenjacht”. Was het wel wáár dat Fortuyn „verlangde naar een ‘reiniging van de natie’”?

Twee jaar later kwam er een eerste interview, bij de publicatie van Conservatieve vooruitgang, een boek dat hem de waardering opleverde van J.L. Heldring, die in drie columns instemmend naar Baudet verwees. In november 2010 volgde een filippica tegen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (toen al de hyperbool als wapen: „een allesverslindend monster”), dat een reeks van kritische reacties opriep.

Toenmalig chef Opinie Maarten Huygen, op zoek naar conservatieve stemmen, beval Baudet aan bij hoofdredacteur Peter Vandermeersch, die het palet aan columnisten in de krant te links vond. In 2011 kreeg de jonge jurist een tweewekelijkse column.

Hebben de media, met name NRC, Baudet dus ‘gemaakt’? Is de jonge mammoetvloerder die zo monter belooft de boreale beschaving op het nippertje te redden, een product van de mediacratie?

Je hoort het wel eens beweren, en tv-recensent Arjen Fortuin noteerde terecht dat „pathos” altijd wordt beloond in de „mediacratie” en wees erop dat Baudet in talkshows soms amicaal werd aangesproken met „Thierry”. Geen wonder, Baudet is een bekende van tal van journalisten, nog voor zijn huidige incarnatie als hoeder van het Avondland.

Wie zijn NRC-artikelen terugleest (vanaf 2010 telde ik 67 opiniestukken en columns van zijn hand), komt alle thema’s van zijn huidige project al tegen, zij het aanvankelijk zonder de apocalyptische toonzetting. In één vroege column is de toon eerder zalvend over „onze allochtonen”: er was een multicultureel nationalisme aan het ontstaan: „Waar mensen ook vandaan komen, steeds meer worden ze opgenomen in het sociale collectief van de nationale identiteit, die op haar beurt weer steeds bonter en interessanter wordt”. Dat is nog lang geen ‘boreale’ identiteitspolitiek.

In zijn columns verkende Baudet alle uithoeken van een gestileerd neoconservatief levensgevoel, waarbij ernst en pose vaak een symbiose aangaan – ook een overeenkomst met Fortuyn. Hij schrijft over stierenvechten, sigaren roken („het aansteken alleen al vergde twintig minuten intensieve theoretische vorming”), vibrators en de treurnis van zelfbevrediging („Juist door samen moeite te doen kom je ergens”) en vrouwen versieren („Ze zal voor hem vallen, omdat hij geen angst uitstraalt”).

Maar ook zijn politieke ideologie is in aanbouw: afkeer van de EU, klimaatscepsis (tegen het uitgeven van „krankzinnige bedragen” aan CO2-reductie), tegen het partijkartel. Immigratie heet nu „de grootste vergissing uit de geschiedenis”. En er is de diagnose „oikofobie”. Ons „herkenbare huis” gaat kapot door modernisme, multiculturalisme en de EU.

Dat was zijn laatste column. Baudet vertrok, voor een academisch project met Paul Scheffer, en was daarna als columnist niet meer welkom. De kritiek op zijn stukken („NRC, bespaar ons de retoriek van Baudet en co”, luidde een oproep) speelde een rol, maar ook zijn nieuwe profiel als erotisch romancier (zijn debuut Voorwaardelijke liefde werd gehekeld als vrouwonvriendelijk). Af en toe verscheen nog een opiniestuk, zoals over het mede door hem opgezette Oekraïne-referendum.

Ook de verslaggeverij boog zich over Baudet. Er kwamen interviews (eens met roemruchte foto van Baudet liggend op een vleugel), portretten van Paul Cliteur en andere kopstukken in zijn beweging, en een zeer goede inventarisatie van zijn netwerk en gedachtengoed (met typerende correctie: de auteurs werden erop gewezen dat Baudet niet twee, maar acht boeken op zijn naam had).

Een ander, ook verhelderend stuk zette de lessen op een rij die Baudet had geleerd van Fortuyn en Wilders. Met zijn opbouw van een echte ledenpartij en zijn geëxalteerde mix van cultuurkritiek en optimisme stak hij scherp af tegen het introverte chagrijn van de solist Wilders en het anti-ideologische pragmatisme van Rutte. Wat in de verslaggeving nog miste, was een uitgebreid portret van zijn achterban en de campagne waarmee Baudet die voor zich wist te winnen.

Maar omstreden was Baudet al die tijd in de NRC-kolommen. Geestverwant Eric C. Hendriks bejubelde hem als „visionaire klojo” (en werd lid), maar keerde zich van hem af (en zegde zijn lidmaatschap op) nadat De Correspondent had onthuld dat Baudet de Amerikaanse rassendenker Jared Taylor had ontmoet.

Econoom Coen Teulings sprak NRC erop aan: de krant gaf veel te veel aandacht aan een populist die hem schrikbarend deed denken aan de jaren dertig (ik schreef toen dat als Teulings gelijk had, die aandacht nu juist nodig was). Ook oud-NRC-redacteur Ben van der Velden en Leo Lucassen luidden de noodklok over zijn ideeën.

Baudet zal profijt hebben gehad van zijn tv-appeal, en wie weet van huiver bij media om beticht te worden van ‘demoniseren’. Maar toch vooral van afkeer van de gevestigde orde en van de electorale behoefte aan inspirerend in plaats van deprimerend rechts. Uitspraken over cultuur en volk die ooit tot grote ophef zouden leiden, doen dat allang niet meer.

Deze jeugdige kapitein van de rechtse ‘renaissance-vloot’ heeft dus vooral zichzelf gemaakt – en ook dat heeft hij gemeen met zijn illustere voorganger Fortuyn, die door veel media juist lang werd geweerd of gebagatelliseerd.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

De lezer schrijft … Wat deed D66 daar?

Gaarne had ik uitleg waarom ‘in mijn krant’ op verkiezingsdag, prominent op de voorpagina , onvervalst reclame wordt gemaakt voor een politieke partij, en waarom, juist voor deze partij, D66.

G.A.J. Westerkamp, Oisterwijk


… de krant antwoordt Adverteren mag ook op verkiezingsdag

Plaatsvervangend hoofdredacteur Marcella Breedeveld antwoordt: „Politieke partijen hebben altijd geadverteerd in kranten en hebben daarbij dezelfde rechten en plichten als een reguliere adverteerder. Deze partij kocht advertentieruimte op die dag. Het weigeren ervan zou juist als censuur kunnen worden beschouwd.” Overigens adverteerde D66 die dag ook op de voorpagina van de Volkskrant. Een advertentie van Forum voor Democratie werd een dag eerder geweigerd door De Telegraaf, uit piëteit met de slachtoffers van de aanslag in Utrecht een dag eerder.

Correctie (29 maart 2019): In De lezer schrijft… van zaterdag 23 maart staat dat G.A.J. Westerkamp bezwaar maakt tegen „onvervalste reclame” voor een politieke partij, D66, op de voorpagina van NRC Handelsblad van woensdag 20 maart, de verkiezingsdag voor de Provinciale Staten. Dat is onjuist. Hij bedoelde met „reclame” niet – zoals in het stukje staat vermeld – de advertentie voor D66 op die voorpagina, maar het redactionele artikel op dezelfde pagina over de populariteit van Forum voor Democratie in Volendam. Westerkamp noemde D66 niet.
Dit misverstand is het gevolg van een voor de lezer pijnlijke fout op de redactie. Bij de email die de ombudsman kreeg zat een bijlage met screenshot van de bewuste pagina, met daarop in rood omcirkeld de D66-advertentie. Deze bijlage bleek echter niet afkomstig van de lezer, maar van de Klantenservice van NRC Media, waar zijn brief was binnengekomen. Een van de medewerkers daar meende dat het bezwaar de advertentie betrof, en stuurde de brief met bijlage door naar de ombudsman.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.