Moeder beschermt baby tegen eigen infecties

Afweersysteem Baby’s krijgen voor de eerste 15 levensweken van hun moeder afweerstoffen mee, maar alleen tegen infecties die moeder zelf had.

Een baby met mazelen. Iedere moeder heeft forse doses afweerstoffen tegen gemiddeld 5 tot 10 virussen.
Een baby met mazelen. Iedere moeder heeft forse doses afweerstoffen tegen gemiddeld 5 tot 10 virussen. Foto Getty Images

De eerste 15 weken van hun leven zijn baby’s beschermd met afweerstoffen van hun moeder die ze via placentabloed meekrijgen. Dat is niet een speciale mix die de moeder voor het kind maakt. Het is een afspiegeling van de infecties die de moeder heeft doorgemaakt en waartegen zij zelf afweerstoffen in haar bloed heeft. Een pasgeborene is dus tegen sommige infecties goed beschermd en tegen andere niet. Net zoals de moeder.

Iedere moeder heeft forse doses afweerstoffen tegen gemiddeld 5 tot 10 virussen. En lagere concentraties tegen andere virussen – in totaal een twintigtal. Daar moet de baby het de eerste 15 levensweken mee doen, terwijl honderden verschillende virussen rondwaren en de pasgeborene bedreigen. De eigen aanmaak van afweerstoffen komt pas na de 15e levensweek op gang, schrijven onderzoekers van Karolinska Institutet in Stokholm in een maandag uitgekomen publicatie in Nature Medicine.

Zij keken bij 78 moeder-kind-paren naar een bepaald type antilichamen in het bloed. Bij de baby’s werd viermaal gemeten: in navelstrengbloed kort na de geboorte en op een leeftijd van 1, 4 en 12 weken. Bij de moeders werd een week na de bevalling een bloedmonster genomen.

Er werd gekeken naar IgG-antilichamen (immuunglobulinen G). Die worden, als reactie op binnengedrongen virussen, bacteriën of andere parasieten, geproduceerd door een bepaald type witte bloedcellen van het afweersysteem (B-cellen). De IgG-productie tegen een nieuwe infectie komt pas na een paar dagen goed op gang, als de B-cellen er in zijn geslaagd een IgG-molecuul te maken dat moleculair gezien ‘past’ op een deel van de binnendringer. IgG-moleculen horen tot de secundaire afweerlijn.

Slapende cellen

Huid, slijmvliezen en andere afweermoleculen die daarin klaarliggen vormen de eerste barrière tegen indringers. IgG-moleculen blijven ook na de infectie nog een paar weken in het bloed aanwezig. Een deel van de producerende B-cellen blijft zelfs voor altijd ‘slapend’ in het lichaam aanwezig.

Komt hetzelfde virus nog een keer binnen, dan is de afweer er veel sneller bij, doordat de slapende B-cellen snel aan het werk kunnen. Daardoor krijgen mensen sommige infectieziekten maar eenmaal, zoals mazelen. Geslaagde vaccinaties veroorzaken ongeveer dezelfde bescherming.

De onderzoekers in Zweden analyseerden IgG-antilichamen tegen 206 virussen. De afweer richt zich meestal op meerdere, maar altijd specifieke plekken van het oppervlak van virusdeeltjes. Die herkenningsplaatsen voor heten epitopen. In dit onderzoek zijn ruim 93.000 epitopen van 206 virussen gebruikt om antilichamen uit de bloedmonsters te vissen. Bij dit onderzoek is een techniek gebruikt (VirScan), ontwikkeld door Harvardonderzoekers die er in 2015 in Science over publiceerden.

De eerste verrassing was dat veel te vroeg geboren kinderen, na 24 tot 30 weken zwangerschap, eigenlijk hetzelfde pakket antilichamen als hun moeder hebben. In 1985 schreven onderzoekers dat te vroeg geboren kinderen bijna zonder antilichamen worden geboren. Dat was ook in de jaren zestig en zeventig al eens gemeten en is sindsdien voor waar aangenomen.

Maar nu blijkt dat die veel te vroeg geboren baby’s het hele pakket IgG-moleculen al hebben, hoewel in wat lagere concentratie. Die kleinere hoeveelheid maakt voor de kracht van de afweerreactie echter niet uit, concluderen de Zweedse onderzoekers na metingen aan het RS-virus dat berucht is voor de ernstige infecties bij pasgeborenen.

Toch staat vast dat die veel te vroeg geborenen vaker ernstig ziek worden door virusinfecties dan baby’s die op tijd zijn geboren. „De verhoogde kans op infecties in te vroeg geborenen wordt niet bepaald door gebrek aan afweermoleculen van de moeder”, schrijven de onderzoekers in de laatste zinnen van hun Nature-artikel. „Het komt mogelijk door zwakkere fysieke barrières in de huid, de darmen en de longen of doordat die tevroeggeborenen vaker aan virussen worden blootgesteld, door hun verblijf op de intensive care, door catheters in hun bloedbaan en door beademingsbuisjes.”

Rode hond

De vijf virussen waar moeders en hun baby’s de meeste IgG-antilichamen tegen hebben zijn adenovirus C, cytomegalovirus, Epstein-Barr virus, herpes simplex virus type 1 en rhinovirus A. De veroorzakers van de bekende kindervirusziekten, zoals mazelen, rode hond (rubella) en respiratoir syncytieel virus (RSV) zitten er dus niet bij. Ook influenza (het griepvirus) ontbreekt in het rijtje.

Adenovirussen (er zijn meer dan 60 verschillende typen bekend) veroorzaken bij baby’s meestal milde verkoudheid, koorts diarree of oogontstekingen. Rhinovirussen zijn zeer veel voorkomende verkoudheidsvirussen. Er zijn meer dan 150 typen bekend. Een eenmaal ontwikkelde afweer tegen het ene adeno- of rhinotype biedt geen bescherming tegen een ander type. Daardoor kunnen vooral baby’s en kinderen vele keren per jaar verkouden en zelfs koortsig zijn.