Foto Christer Holte

‘Ik huil vaak alleen. Wil mensen niet bezwaren’

Rafael van der Vaart In het Deense Esbjerg geniet Rafael van der Vaart van zijn voetbalpensioen. Een gesprek over zijn jeugd in een woonwagenkamp, het vaderschap en de moeilijke nadagen van zijn carrière.

Zondagavond laat gaat de telefoon. Ramon van der Vaart wil na een eerder gevoerd achtergrondgesprek over zijn beroemde zoon graag weten wanneer we naar Denemarken rijden, waar Rafael van der Vaart al jaren woont met zijn vriendin. Maandag? Of we dan ’s ochtends nog even langs Beverwijk kunnen rijden. Hij heeft wat spullen op de kop getikt „voor Raf en die kleine”. Kunnen we daarna mooi via de Afsluitdijk richting het noorden.

Een dag later lopen we met een klassieke houten slee naar de haven van Esbjerg, aan de westkust van Jutland. Als we hebben aangebeld klinkt door een intercom het hese stemgeluid van een van de beste middenvelders die Nederland ooit gekend heeft.

„Hello?”

„Rafael, Dennis van NRC hier.”

„Die ken ik niet.” Een rollende lach, en dan het zoemende geluid van een slot dat op afstand wordt geopend.

„Doorlopen tot de lift, code intikken, derde etage.”

In de deuropening verschijnt Rafael van der Vaart (36) met een grote glimlach op zijn gezicht, precies zoals zijn vader, beste vriend en broertje hadden voorspeld – een notoire positivo. Hij draagt een zwarte coltrui, een trainingsbroek, sneakers. Als hij de slee ziet, is hij de koning te rijk. „Dat gaat ze mooi vinden.” Hij loopt door de gang naar zijn woonkamer annex keuken met vier meter hoge plafonds en een vide, waar flets daglicht door de dakramen naar binnen valt. Aan het kookeiland houdt oppas Kim zijn dochter Jesslynn (1) bezig. Vriendin en tophandbalster Estavana Polman drentelt in trainingspak door het huis: ze moet zo trainen, maar heeft weinig zin. „Het is een moetje vandaag.”

„Kijk eens wat opa voor je heeft gekocht”, roept Van der Vaart. Voor ze het doorheeft zit Jesslynn bovenop de slee. Ze begint met een gelukzalig gezicht aan het pas geschilderde hout te voelen. „Nu alleen nog sneeuw”, roept haar vader enthousiast. Hij draait zich om naar zijn gast: „bakkie?”

Een half uur later rijden we langs de Deense kust naar het Badehotel tien kilometer buiten Esbjerg. „Dan ben ik er effe uit.” Sinds Van der Vaart eind november een punt zette achter zijn voetbalcarrière zijn de dagen aan de lege kant. En dat bevalt hem prima. Hij vindt het een verademing om in Esbjerg te wonen, waar zijn vriendin sinds 2013 op het hoogste niveau handbalt. Geen mens klampt hem er op straat aan. Alleen jammer dat ze pal voor zijn huis zijn gaan bouwen. Hij had zo’n mooi uitzicht over de haven.

Van der Vaart is voetbalanalist bij de NOS en vliegt om de week een weekend op en neer naar Nederland. „Ik vind analist maar een raar woord, alsof er een opleiding voor is. Ik noem mezelf liever voetballiefhebber die wedstrijden mag kijken en daar ook nog zijn mening over mag geven.” Vaak overnacht hij dan bij pa en ma in Beverwijk, in het huis dat hij op zijn achttiende kocht. Terug in Denemarken rijdt hij een paar keer per week 2,5 uur op en neer naar Hamburg voor de voetbaltraining van zoon Damian (12), uit zijn huwelijk met Sylvie Meis. Om fit te blijven doet hij wat personal training in de sportschool. De marathon van New York staat op zijn bucketlist, net als met een camper door Frankrijk reizen tijdens de Tour.

De laatste drie seizoenen uit het voetballeven van Rafael van der Vaart passen niet in het jongensboek dat de rest van zijn loopbaan is: ster van Ajax, nummer tien van Hamburger SV, publiekslieveling in Londen bij Tottenham Hotspur, geschitterd tussen de groten der aarde in het Bernabéu-stadion van Real Madrid. Daarna doofde het licht langzaam via de Spaanse club Real Betis en in Denemarken bij FC Midtjylland en Esbjerg fB. Nog voor hij een cappuccino en een grote diet coke besteld heeft, begint hij over die magere Deense jaren.

„In het begin functioneerde het perfect: Van der Vaart kwam naar Midtjylland en elke bal moest bij mij worden ingeleverd. Maar dan verlies je een keer, raak je geblesseerd, gaan ze een andere stijl hanteren. Op de training was ik vaak de beste en dan nog zat ik niet bij de selectie.”

Weet je waarom niet?

„Ik krijg er de vinger niet op. Afgelopen zomer trainde ik mee met Zwolle, bij Van ’t Schip [John, zijn jeugdtrainer bij Ajax]. Hij beoordeelde me op wat ik kon en accepteerde de dingen die ik nu minder had. Nou, ik vlóóg over het veld, gaf assists, ballen die niemand kon doorzien. Net weer een jongen, dankzij een trainer die weet hoe hij met je om moet gaan.”

Het vertrouwen van een trainer is altijd essentieel voor je geweest, zei je boezemvriend Ben van Bakel.

„Dat geldt voor elke voetballer. Anders is het net alsof ik altijd zei: ‘oh, die trainer heeft geen vertrouwen in me? Nou, tot sinas’. Er zijn wel meer trainers geweest die geen vertrouwen in me hadden, maar ik heb me er altijd ingeknokt. Weet je, als Van Basten tegen mij zegt: ‘hé pik, laat je nog wat zien vandaag, ik wil een beetje genieten’, dan vind ik dat een hele andere insteek dan wanneer je zegt [met bulderende stem]: ‘je man, als die diepgaat, meelopen, méélopen!’ Ik had bij Zwolle de rol gekregen die Van Persie bij Feyenoord heeft. Maar uiteindelijk heb ik voor m’n gezin gekozen. Puur sportief gezien had ik nu nog wel kunnen voetballen.”

Knaagt dat niet aan je?

„Nee, want ik heb nooit ergens spijt van. Er is meer in het leven dan voetbal. En op een gegeven moment beleef je het gewoon anders.”

Je hield niet zo van hardlopen en krachttraining.

„Dat is niet waar. Bij HSV liepen we ons het apezuur op de training, en dat vond ik heerlijk. Daarom was ik ook superfit bij HSV en Tottenham. Ik liep in een wedstrijd vaak de meeste kilometers van het team, werd topscoorder bij de Spurs, en dat als middenvelder. Dan leg je dus veel meters af. Dat soort statistieken werd door de Nederlandse media niet altijd gezien, en dan ontstaat er een beeld. Maar je haalt Real Madrid niet omdat je een flierefluiter bent. Ik kon best drie keer per dag trainen, maar alleen als dat met een bal was. Als ik na een wedstrijd mocht kiezen tussen uitlopen of een partijtje voetvolley, had ik mijn voetbalschoenen al aan. De tijd verandert. Jongens van zeventien zijn nu kasten. Dat is blijkbaar het nieuwe voetbal.”

Met dochter Jesslynn.

Foto Christer Holte

Rafael Ferdinand van der Vaart groeit op in een woonwagenkamp aan de rand van Heemskerk, als kind van een Spaanse moeder en een Nederlandse vader, die als spits bij de Beverwijkse amateurclub De Kennemers speelde. Van hem heeft hij de fascinatie voor het spel. Van der Vaart heeft een vijf jaar jonger broertje, Fernando. Ooms en tantes wonen nog altijd op het kamp.

„Het was absoluut geen gekke plek om op te groeien. Wat ik er altijd heb gevoeld is vrijheid, een enorm hechte familieband, mensen die voor je door het vuur gaan. Binnenlopen bij ooms en tantes voor een bakkie, even mee-eten met neefjes en nichtjes, vriendjes. Niks was te gek.”

Wat heb je er geleerd?

„Die familieband, ik ben erg beschermd opgevoed. Die neiging heb ik nu ook bij mijn eigen kinderen. Damian was hier laatst. Wilde hij met een vriendje gaan voetballen op een pleintje hiertegenover. Dan denk ik: verdomme, ik trek dat helemaal niet.”

Waarom niet?

„Ik vind het eng. Dat-ie alleen over straat gaat. Wij hadden op het kamp een bobbel en ik mocht van mijn ouders nooit verder dan De Bobbel. Dat was een grens. En dan gaat je eigen zoon ineens alleen spelen.”

Hij ging De Bobbel over.

„Ja, en het was nog donker ook. Klote. Ik ben op het balkon gaan staan en ik heb de hele tijd mee staan luisteren of het allemaal goed ging. Estavana lachte me gierend uit. Het slaat nergens op, het is te beschermend af en toe. Mijn geluk is denk ik geweest dat ik al heel jong naar Ajax ging. Dan kom je in een andere wereld, word je opgevoed buiten je eigen groepje.”

Als Van der Vaart tien jaar is schrijft zijn vader hem in voor de Ajax Talentendag. Hij had het talent van zijn zoon al lang gezien en Ajax ziet het ook. Ze lijven hem in, hij wordt een kind van Ajax.

„Mijn vader en ik hadden dezelfde droom. We maakten altijd hardop plannen. Het ging alleen maar over voetbal. Wat was goed op de training, wat slecht? Ik ben hem daar eeuwig dankbaar voor. Vanaf dat moment was het elk jaar maar zien hoe lang het zou duren bij Ajax. Ik wilde beter worden, maar vooral plezier maken. Dat is een cliché, maar ook een onderschat woord. Ik heb geprobeerd dat nooit te verliezen.”

Waar zat ’m dat plezier in?

„Ik genoot als ik bij het eerste balcontact al voelde: dit gaat ’m worden vandaag. Dat alles lukt, dat je in vorm bent. Elke wedstrijd heb je die bevestiging weer nodig. Heerlijk als dat gebeurt aan het begin, dat je weet dat je heel veel mensen blij gaat maken.”

Dat zei je familie: Rafael leeft om anderen blij te maken.

„Dat heb ik altijd gehad. Ik kan me niet herinneren dat ik iets voor mezelf gekocht heb. Ik geef liever iets aan mijn ouders, mijn vriendin, mijn kinderen, aan Ben. Als andere mensen gelukkig zijn, ben ik een blij man.”

Kan je ook genieten als anderen dat niet doen?

„Nee. Ik vind het heel knap als mensen egoïstisch zijn, heb er bijna bewondering voor. Neem Ronaldo, prima collega trouwens. Ik scoorde eens twee keer, en hij niet. Zat-ie met zo’n bakkes. Denk maar niet dat hij nog een bal overspeelde. Hij maakt zestig goals in een seizoen, maar wil er 61. Dat moet niet makkelijk voor hem zijn.”

Je vader zei: dat dienende heeft hem ook in de weg gezeten tijdens zijn carrière.

„Als ik tijdens een oefenwedstrijd met Oranje de beste speler was en ik de volgende wedstrijd niet speelde, dan dacht ik: trainer, heb je stront in je ogen? Maar ik zei er nooit wat van. Achteraf heeft mijn vader misschien gelijk, had ik meer op tafel moeten slaan.”

Volgens Ben hadden media soms een negatieve invloed. Hij sprak zelfs van karaktermoord, omdat het altijd maar over je matige fitheid ging. Trainers lazen het, en jij liet het gebeuren.

„Dat gaat over een latere fase in mijn carrière. Ik wilde niet over mijn eigen schaduw stappen zodat ik meer kans had om te spelen. Ik kon dat vechten niet. Veel voetballers of zaakwaarnemers hebben lijntjes met journalisten om er beter van te worden. Die maken je dan groter dan je bent. Het publiek gelooft het en veel coaches gaan daarin mee om te overleven. Ik was met iedereen goed, maar als journalisten mij na een besloten training om de opstelling kwamen vragen, zei ik: spoor jij wel? Alsof het mij kan schelen dat ik dan een hoger cijfer krijg in je krant.”

Bij je naasten voelde ik frustratie. Zo van: Rafael had beter verdiend.

„Ik was wie ik was en zo ben ik nog steeds. Ik had als jochie een droom en die is meer dan uitgekomen. Ik ben supertrots op de voetballer die ik was, maar er horen nu eenmaal ook negatieve dingen bij. Als Pietje schreef dat ik te zwaar was, had ik geen zin om daarop te reageren. Dat kost alleen maar energie. Daardoor kan ik nu ook met iedereen door één deur.”

Van der Vaart is nog maar een knaap van 17 die gestopt is op de middelbare school als hij dankzij schorsingen en blessures van anderen debuteert in het eerste van Ajax. „Ik dacht: krijg nou de kolere. Ik meteen mijn vader bellen. Pa, je gelooft het niet. Ik zit erbij.”

Van der Vaart glundert als hij het over Ajax heeft. „Ik was een jochie, had nog geen haar op mijn piemel. Stond ik ineens te douchen met Witschge, Van Halst, Winter, Grim.” Hij vertelt over die keer dat hij voor het eerst in zijn leven een kostuum aan moest. „Ik had eigenlijk alleen witte tennissokken in mijn kast hangen. Het enige wat een beetje kon onder een kostuum waren mijn Spidermansokken. Dus ik die aan, en de hele busreis mijn broekspijpen omlaag trekken. Komt Jan van Halst langsgelopen: ‘hé gap, mooie sokken’. Zo’n boei natuurlijk. Vergeet ik nooit.”

„Estavana vraagt me wel eens: zit jij wel eens érgens mee? Dan zeg ik: nou, nee.”

Je breekt door, maakt goals, bent de grote ster. Maar je gaat niet naast je schoenen lopen.

„Dat heb ik vooral aan mijn ouders te danken. Ik heb wel een periode gehad dat ik ging geloven in mijn eigen grootheid, maar zelfs als ik er drie in had liggen, zei mijn vader na afloop: het was redelijk. Zijn mening nam ik altijd serieus.”

Je broertje Fernando, vijf jaar jonger, is minder getalenteerd, zei hij zelf. Ging dat altijd goed?

„Fernando is mijn grootste fan. Er is totaal geen haat, nul jaloezie. En hij heeft nog nooit om een euro gevraagd. Moet je je voorstellen dat je een broer hebt en dat iedereen altijd maar vraagt: hoe is het met Raf? Mijn ouders hebben ons op hetzelfde voetstuk gezet. Fernando en ik hebben lang samengewoond, in Sevilla en hier in Esbjerg. Hij reed me dan af en toe naar de club, deed dingen zodat ik kon uitrusten. Iedereen kan trots op mij zijn, maar ik denk dat het voor hem veel moeilijker is geweest.”

Hij vond het moment dat jij een huis kocht en jullie het woonwagenkamp verlieten erg moeilijk, vertelde hij.

„Hij lijkt meer op mijn vader, ik op mijn moeder. Fernando tobt meer. Estavana vraagt me wel eens: zit jij wel eens érgens mee? Dan zeg ik: nou, nee.” Hij lacht hardop. „Dat heeft voor- en nadelen.”

Je vader zei: alles glijdt van hem af.

„Je kan ook zeggen: hij steekt zijn kop in het zand.”

Toen je opa overleed, je was 13, kon je daar niet over praten. Je klapt dicht bij dood en ziekten.

Hij zucht. „Ik ben erg positief ingesteld, maar ook emotioneel. Als je Spoorloos aanzet, dan huil ik een uur. Ik kan me goed in andermans verdriet verplaatsen. Maar als ik het zelf moeilijk krijg, dan druk ik het weg. Ik huil vaak alleen, regel mijn eigen verdriet. Ik wil mensen niet bezwaren, en ik háát negativiteit. Ik heb bij een club vaak met een mental coach moeten praten. Dan zat ik ’m aan te kijken en dacht ik: wat ben jij nou aan het doen? Ik kan het zelf. Misschien is dat mijn ego. Het lijkt nu ook wel alsof ik bij een psycholoog zit.”

Als je het vervelend vindt moet je het zeggen.

„Nee, nee, ik praat overal over. Kijk, als je mij vraagt om mezelf in één woord te omschrijven, dan zeg ik: goedzak, gewoon een goeie gozer. En wat andere mensen daar dan van vinden … Privé ging het lang niet altijd lekker. In moeilijke tijden heb ik weleens gehoopt dat ik een spier af zou scheuren, dan had ik een excuus. Liep ik met een zak aardappelen op mijn rug, en niemand die het zag.”

Ben zou het mooi vinden als dát nou eens werd opgeschreven, dat je ondanks de shit presteerde.

„Maar ik heb dus nooit de behoefte gehad een tegengeluid te laten horen. Nou, één keer, toen ze in Duitsland schreven dat ik een slechte vader was. Toen ben ik Damian op gaan halen en heb ik het hem gevraagd, voor ik naar de media zou stappen: jongen, wat vind jij? Hij zei: pap, je bent de allerbeste. Toen ging het weer.”

Hoe oud was Damian toen?

„Zeven.”

Grote vraag voor een jongen van die leeftijd. Jochie, ben ik eigenlijk wel een goede pa voor je?

„Ik vroeg het omdat ik er niet altijd voor hem kon zijn.”

In zijn huis is het Deense dorpje Esbjerg.

Foto Christer Holte

Hij praat graag over het vaderschap, en hoe hem dat beïnvloedde tijdens zijn voetbalcarrière. Aanvankelijk was hij ziek na een verloren wedstrijd, maar na de geboorte van zijn zoon was dat weg. Als hij „het lijntje” overstapte wilde hij vaak zo snel mogelijk naar huis. „Maar in het begin vond ik vader zijn helemaal niet leuk. Als voetballer was ik altijd maar met mezelf bezig geweest, en ineens was daar zo’n gozer. Dat je denkt: jezus, als ik dat ooit ga verliezen. Ik vond het beangstigend, en nog steeds. Damian nam een keer een chippie dat bleef steken in zijn keel. Hij liep pimpelpaars aan. Ik zag maar één oplossing: mijn hele hand in zijn keel. Alles kwam eruit en hij ademde weer. Als Jesslynn nu een broodje eet roep ik soms: kauwen, kauwen! Ik heb er nog steeds een trauma van.”

Je zoon voetbalt in Hamburg, traint soms mee met Hamburger SV. Kan hij prof worden?

„Hij is wel goed ja, tweebenig en snel.”

Zou je het een beetje pushen?

„Ik zei laatst tegen mijn vader dat ik het gevoel heb dat hij me vroeger pushte. Vond-ie vreselijk, hij ziet het als iets negatiefs. Ik niet. Als je talent constateert bij je zoon, kan je pushen. Ik kan hem dingen laten zien die hij wel en niet moet doen.”

Heb jij zelf als jochie wel eens druk gevoeld?

„Jawel, want ik wilde mijn familie niet teleurstellen. Mijn laatste jaar bij Ajax was niet goed, ik werd door mijn eigen fans uitgefloten. Dan voelde ik dat ik faalde, dat ik mijn vader niet tevreden kon stellen. Op voetbalgebied zocht ik bevestiging bij hem. Niet bij mijn moeder, die maakt zich net als ik nergens druk om.”

In 2003 werd je door dertig voetbaljournalisten verkozen tot de eerste ‘golden boy’, als grootste talent van Europa. Uiteindelijk heb je slechts twee landstitels gepakt, met Ajax. Je vader vindt dat privésores een gigantisch stempel op je carrière hebben gedrukt. Ben je dat met hem eens?

„Ik had misschien meer prijzen moeten winnen, want daarop worden voetballers afgerekend. Met Oranje waren we in 2010 heel dichtbij, bij HSV en de Spurs waren prijzen niet vanzelfsprekend, maar de fans genoten. Bij Real haalden we een recordaantal punten, terwijl Barcelona ook geen onaardig team had. Maar ik zal de laatste zijn die privézaken als excuus gebruikt voor een mindere periode. Ik ga me daar niet achter verschuilen. Iedereen weet dat je vrij moet zijn in je kop om je beste spel te halen. Nergens aan denken is de enige manier om te overleven in de voetbalwereld. Altijd relativeren, je blijven realiseren: ik mag hier schitteren, sta voor 80.000 man, terwijl er kindjes van 3 met kanker in het ziekenhuis liggen en doodgaan.”

Na drie jaar bij Hamburger SV maakt Van der Vaart met zijn Spaanse roots een droomtransfer naar Real Madrid. „Toen had ik het gevoel: ik heb het gemaakt. Je hebt altijd mensen die zullen zeggen dat ik meer uit mijn carrière had moeten halen. Maar wat zou ik ondankbaar zijn als ik niet blij ben. Ik heb verdomme in Bernabéu wedstrijden mogen beslissen. Hier zit gewoon een heel blij mens.”

Er wordt vaak gezegd dat de periode daarna, bij de Spurs, je beste was. Dat je daar na twee seizoenen wegging was volgens je vader je grootste fout.

„Tottenham en ik, dat was een unieke combinatie. Ik kwam nooit met een schoon broekje van het veld af, en dat konden ze daar waarderen. Tegen Arsenal scoorde ik bijna altijd, we wonnen daar voor het eerst in zeventien jaar. Ik werd speler van de maand in de Premier League en we speelden fantastisch. Sportief gezien had ik moeten blijven. Maar dan was alles weer anders gelopen. En nu ben ik daar nog steeds een held.”

Uiteindelijk is je carrière in de anonimiteit geëindigd.

„Ik doe over dat stoppen een beetje laconiek, maar het ging natuurlijk niet van de ene dag op de andere. Ik had een lekkere wedstrijd bij Esbjerg gespeeld en toen pats, weer die kuitspier. Toen dacht ik: dikke lul drie bier, ik ga naar huis.”

Zou je het aandurven om zelf trainer te worden?

„Eerst een jaartje niks, en daarna op mijn manier. Ik wil het publiek iets bieden, met mooi voetbal. Denk aan Feyenoord-Ajax [6-2], dat was een spektakel. Jammer van de uitslag, maar daarvoor kom je naar een stadion.”

Na 2,5 uur rijden we terug naar Esbjerg, waar Rafael van der Vaart geniet van zijn voetbalpensioen, tevredener dan de meeste mensen in Nederland denken. „’s Ochtends lekker in de jacuzzi op m’n terras, ’s avonds met Es een serietje kijken, stokbroodje kruidenboter erbij. Gewoon, genieten. Ik wil niet zeggen dat ik leef alsof elke dag m’n laatste is, maar wil wel naar bed gaan en denken: vandaag was een leuke dag.”