Merlijn Doomernik

Jan Siebelink: ‘Ik ben heel bang voor het Oordeel’

Interview Jan Siebelink schreef het Boekenweekgeschenk. Zowel hij als zijn personage maakt zich voorstellingen van het hiernamaals. ’Ik hoop dat ik niet in de leegte en stilte zal terechtkomen.’

Geen Maserati voor de deur, wel een olijfgroene Mazda MX5. En een Peugeootje, dat van zijn vrouw Gerda blijkt te zijn. Zaterdagochtend, Ede, de Boekenweek begint bijna. Storm en regen razen door de straten, maar in de tuin van Jan Siebelink bloeit de camelia en overal staan potten vol violen.

U begint uw Boekenweekgeschenk met Arthur Siebrandi die een – ja, wat is het? – krijgt. Een herseninfarct?

„Nou, nee, ik heb tweeënhalf jaar geleden een…”

Ik? U bent Arthur?

„Deze Arthur” – hij wijst naar zichzelf – „zit op een prachtige zaterdagmorgen aan deze tafel” – hij klopt op het blad – „en zegt tegen dat hondje daar: Sarah, we gaan.” Sarah, een rankpotige whippet, spitst haar oren. „Ik sta op en mijn linkerbeen doet niet mee. Geen pijn, niks, hij doet gewoon niet mee. Een buitengewoon enge ervaring. Ik sleep mezelf naar de keuken en daar begint mijn linkerarm vreemd te doen, hier, aan de binnenkant. Een vreemd tintelen, schichten. Ik ga naast de hondenmand zitten en denk: nu is er iets raars aan de hand. Mijn vrouw is boodschappen doen en ik roep heel hard: Kees! Kees! Dat is de buurman. Misschien is hij in de tuin. Ik pak mijn mobieltje en probeer voor het eerst van mijn leven 112 te bellen. Maar mijn hand werkt niet mee en ik krijg een mevrouw van 113 aan de lijn, van de suïcidepreventie, weet je wel. Een heel aardige mevrouw, heel aardige stem. Zij belt 112 en ze blijft tegen me praten. Meneer, kunnen ze bij u komen? Is de deur open? Vertelt u eens, hoe heet u ook al weer? Een minuut of zes later staan hier drie mannen met een brancard in de kamer. Ze schuiven me in de ambulance en plakken noppen op mijn borstkas en de sirene gaat aan en ik denk, ik denk: misschien ga ik nu wel eh… eh… naar de overzijde.”

Arthur zat in de Openbaring van Johannes te lezen toen het gebeurde, u ook?

„Ik had de Bijbel open, maar bij een andere tekst. Ik wilde iets opzoeken over het zevenkoppige monster Leviathan dat uit de zee komt opzetten, geen idee meer waarom. Een jaar later, als ik Jas van Belofte ga schrijven, maak ik daar Openbaring van en kies een citaat dat mijn vader thuis vaak voorlas, over de boekrol met de zeven zegels naast de rechterhand van Hem die op de Troon zit. En hoop ik dat er vanzelf een verhaal op gang komt.”

U had geen plan?

„Niet meer dan dat, nee. Maar toen Eppo van Nispen tot Sevenaer” – op dat moment nog directeur van de CPNB – „me op 13 februari 2018 knielend en met geheven handen kwam smeken of ‘deze waarachtige schrijver’ het Boekenweekgeschenk wilde schrijven, wist ik meteen dat ik zou beginnen met die rit naar het ziekenhuis. Je gelooft gewoon niet dat jij het bent die in die ambulance ligt. Ik hoopte heel erg dat ik het zou overleven om erover te kunnen vertellen. Al die dingen uit je leven die door je hoofd flitsen, essentiële dingen…”

Lees ook de recensie: In het Boekenweekgeschenk ‘Jas van belofte’ zijn de bekende Siebelinkthema’s doodgekookt (●)

Arthur is weer elf en ziet zijn vader de straat uit fietsen.

„En vraagt zich af of hij hem nu ter rechterzijde van de Troon zal aantreffen. Hij hoort trompetgeschal en denkt aan het Lam dat daar dan ook moet zijn en de zegels van de boekrol verbreekt – dan is er kans op redding.”

Dacht u dat ook allemaal?

„Je moet weten dat ik, voor zover ik nog gelovig ben, een heel wankelmoedige gelovige ben, een kleingelovige die hoopt dat hij na zijn overlijden niet in de leegte en stilte zal terechtkomen. Hij hoopt dat er nog dingen met hem zullen gebeuren en daar maakt hij zich, komend uit het gezin waarin hij is opgegroeid, een heel kinderlijke voorstelling van. Dus ja, ik dacht aan het Lam Gods en de gelovigen die om Hem heen staan in het Nieuwe Jeruzalem.”

Stond uw vader ertussen?

„Zodra je er woorden aan geeft wordt het plat, hè. Maar ik ga daar wel van uit. Mijn moeder staat er ook, zij het misschien op een ander plekje.” Zijn moeder was lang zo gelovig niet als zijn vader. Zijn vader, lees Knielen op een bed violen, had zich toen Jan Siebelink elf was aangesloten bij een groep bevindelijk-gereformeerde broeders en keerde zich van de wereld af. Hij verwaarloosde zijn vrouw en kinderen, en zijn bedrijf, een bloemenkwekerij.

Arthur holt achter zijn wegfietsende vader aan, maar zal hem nooit meer vinden.

„Alleen zijn jas vindt hij, de jas die zijn vader heeft afgeworpen, zoals de profeet Elia in 2 Koningen 2 zijn kleed laat vallen voordat hij in een vurige wagen ten hemel vaart. Het grootste verlangen van elke sterveling: sterven zonder eerst door ziekte en ellende heen te hoeven. Weggenomen worden zoals Elia werd weggenomen, en Mozes, en Henoch.”

En Arthur, die in zijn delier met zijn Maserati over de Duitse autobaan scheurt en met vuur spuitende wielen de hemel in rijdt.

„Mooi, hè.” Hij lacht alsof hij een grap heeft gehoord. „Zo eindigt het voor Arthur. Er zullen wel mensen zijn die vinden dat het niet kan, maar ik vind dat mooi.”

Hij lijkt ook op de profeet Elisa, die het kleed van Elia vindt, zijn geestelijke vader.

„En Elisa slaat er dan mee op het water van de Jordaan, dat zich her- en derwaarts verdeelt zodat hij kan oversteken. Schitterend verhaal, vind je niet? Ik heb dat altijd een schitterend verhaal gevonden. Die taal ook. Her- en derwaarts.”

Merlijn Doomernik

Arthur is leraar Frans geweest, net als u.

„Ik had ook een kleermaker van hem kunnen maken, maar waarom? Alleen maar ingewikkelder. Dus ik zet een leraar Frans neer en tijdens de les komt de conciërge binnen met een briefje. Er is gebeld door een zekere Edwin Wopereis. En dan begint het verhaal, helemaal vanzelf. Weet je wie dat is, Edwin Wopereis?”

Geen idee.

„Rein Bloem, de dichter en criticus die mij geholpen heeft om de schrijver te worden die ik ben. Een groot kenner van hermetische poëzie. Op een bepaald moment gaat bij mij thuis de telefoon: spreek ik met de schrijver van Nachtschade?”

Uw debuut.

„Mijn debuut ja, uit 1975. Ik zeg: ja. Hij zegt dat hij geïntrigeerd is door Nachtschade, vooral door het verhaal ‘Witte chrysanten’.”

Over een jongen van zeventien die zijn vernederde vader wil wreken, een bloemenkweker.

„Die natuurlijk mijn vader is. Alles wat dertig jaar later zal terugkomen in Knielen op een bed violen zit al in dat verhaal. Rein Bloem, of Edwin Wopereis, vindt het dus heel goed en wil kennismaken. Hij woonde in de Bestevaêrstraat in Amsterdam, grote kamers vol boeken, altijd een pan bouillon op het fornuis, hij kon ontzettend goed koken. Maar hij waste nooit af, dus het was daar een enorme bende. Hij vraagt of ik nog meer heb geschreven en Arthur – hier neemt mijn personage het even over – vertelt hem het verhaal over de vader die vertrekt en de jongen die achter hem aan holt. Edwin Wopereis zegt dan dat Arthur nooit meer tevreden over zichzelf mag zijn zolang hij de zoektocht van de jongen niet op de meest volmaakte wijze verteld heeft. Een volmaakte roman moet het worden, zijn levenswerk. Het verhaal over mijn vader dat ik als jongen op de ulo al in me voelde sluimeren. Rein Bloem heeft me jarenlang begeleid, tot hij steeds dwingender werd en hele stukken ging zitten herschrijven. Hij werd ontzettend kwaad, echt onwaarschijnlijk kwaad, toen ik dat niet meer wilde.”

Zoals u hem beschrijft doet hij aan de broeders denken die in ‘Knielen op een bed violen’ uw vader in hun greep krijgen.

„O ja? O ja? Ik zal je een ander verhaal vertellen, het gaat over het diner dat hij voor mij organiseerde na de presentatie van mijn bundel Weerloos in 1978. Hij reed naar Parijs om verse groente te halen, op de markt in de Rue Mouffetard en Gerda ging met hem mee, twee dagen. ’s Avonds zitten alle critici die ertoe doen bij hem thuis aan tafel, veertig man, en leerlingen van mij uit zes-gymnasium serveren het eten, heel curieus, het had iets krankzinnigs, en toen ik Jas van belofte zat te schrijven kwam dat weer naar boven, ook dat ik jaren later met Gerda ergens in Frankrijk lekker zit te drinken op een terras en aan haar vraag: nou ben ik toch benieuwd, ben je met Rein naar bed geweest? Ik zou dat niet erg gevonden hebben, wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Ik wilde het gewoon weten. Zij zegt nee, maar ze doet een beetje geheimzinnig, zodat ik het nog steeds niet weet, en dat heb ik dus ook allemaal in dit boek beschreven.”

Jan Siebelink: „Ik wil niet van deze aarde weg. Ik ben gehecht aan de dingen.” Merlijn Doomernik

U schrijft dat Edwin Wopereis bij Lisette op de kamer is geweest om naar haar te kijken.

„Dat geloof ik ook wel, want zo was hij wel.”

En u, of Arthur, ging met Caroline naar Parijs, een oud-leerling van hem.

„Ze gaan naar het zwembad in de Seine, Piscine Déligny. Maar als hij boven op de hoge duiktoren staat krijgt hij angst. Heel typisch voor mij, in zo’n situatie word ik opeens bang dat er thuis iets vreselijk gaande is, Gerda ziek of de hond opengesneden, en dan wil ik terug.”

U bent daar met Caroline, of hoe ze ook heet, geweest?

„Misschien wel, haha. Misschien ben ik daar wel met haar geweest.”

Wie is Loet IJzertje?

„Mijn vriend de schrijver Louis Ferron. Later noem ik hem Petit-Fer, je moet dan wel snappen dat ‘fer’ ijzer is in het Frans. Ik ben erbij geweest toen hij geëuthanaseerd werd, Thomése was er ook bij, we waren lang een driemanschap. Het spul kwam in zijn hart en hij schrompelde ineen, alleen nog maar huid en haar, en ik dacht: de ziel is eruit gevlogen, ik zíe het. Het raakte me heel diep. Ik denk vaak aan hem. Uit al deze gevoelens en herinneringen is Jas van belofte ontstaan.”

Louis Ferron had vergeleken met u een heel klein publiek.

„Hij was geliefd bij critici, maar hij verkocht niets. Hij moest subsidie aanvragen en die werd dan weer afgewezen. Maar hij was niet jaloers. Hij zei dat ik op mijn elfde genoeg had meegemaakt om een leven lang boeken te schrijven en hij was heel blij voor me toen het zo goed ging met Knielen op een bed violen. Ik zal je nog een verhaal vertellen, over Rutger Kopland. Je weet dat hij psychiater was? Hij zei tegen mij: als jouw vader met die zogenaamde stem van God die hij had gehoord bij mij was gekomen, had ik hem met medicijnen en een paar gesprekken kunnen genezen. Dan was al die ellende in het gezin Siebelink niet gebeurd.”

Dat dacht u ook?

„Natuurlijk niet. Ik was het helemaal niet met hem eens. In de werkelijkheid van dat gezin, hoe zal ik het zeggen? Een klant komt een cyclaam kopen, de telefoon gaat, er wordt een bestelling geplaatst, Anneleen, onze oudste dochter, speelt met haar gietertje in de tuin, mijn vader is stapelgek op haar… Ik bedoel, hij was verder… verder…”

Best een normale man?

„Ja.”

Zo beschrijft u hem niet in ‘Knielen op een bed violen’.

„Nee.”

Dat wordt dan leuk als u hem straks in de hemel weer ziet.

„Je kunt zeggen: het is een roman en die vraagt om een sterk personage, daarom heb ik hem aangezet. Maar ik heb het er wel moeilijk mee. Ik verdien veel geld en ik kan een mooie auto kopen dankzij mijn vaders eh… eh…”

Godsdienstwaanzin?

„…oprechte geloof, dat ik erger heb gemaakt dan het was. Die broeders wáren erg en ze námen hem in de tang en mijn vader gíng naar die gebedsdiensten, maar hij deed ook gewoon zijn werk. En ik – ik dénk niet eens: ik ga over mijn vader schrijven, het gebeurt vanzelf. In die zin is schrijven geen mensenwerk. Niet dat God mijn hand leidt, maar wel bijna. Iets in je hart of je bloed schrijft voor jou. Ik hoef maar als Mozes met een stok op de rots te slaan of het komt eruit als water, altijd over hem. Ik voel me daar schuldig over. Dat moet ik gewoon erkennen. Vrienden zeggen wel tegen me dat ik God ook geprezen heb en dat ik mensen heb getroost met mijn boek, het gaat op lijkkisten mee het graf in. Ze zeggen: je hebt het goed gedaan. Maar ik héb het niet goed gedaan. Ik ben een schuldig mens.”

Ieder mens is schuldig.

„Reken maar dat het me bezighoudt. Ik ben heel bang voor het Oordeel. Maar begrijp je dat ik ook vol liefde voor mijn vader was? In de tijd dat ik MO-A deed stond ik vaak heel vroeg op, vijf uur, want ik gaf ook les op de ulo, veertig uur per week, onwaarschijnlijk, en dan zat hij al in de keuken op een stoel te bidden, O HEERE, O HEERE. Altijd maar werken, werken, werken, voor een heel schamel loon – je begríjpt dat zo’n man een God uitkiest die voor de vernederden is, de geslagenen, een God die hem ziet.”

Merlijn Doomernik

Hoe staat uw vader u op te wachten?

„Ik ben zonder spraak nu. Misschien liggen er alleen een paar botten in het graf en gebeurt er niets. Of misschien, ik bedoel, de apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de Korintiërs dat we in een ondeelbaar moment een geestelijk lichaam toebedeeld zullen krijgen. Dat zijn de woorden. We kunnen ons er niets bij voorstellen. We weten niks. Maar we zijn er wel mee bezig, ik helemaal nu de meeste toekomst achter me ligt. Ik verlang er niet naar, zoals mijn vader. Ik wil niet van deze aarde weg. Ik ben gehecht aan de dingen. En ik ben bang dat ik alleen aan mezelf denk en aan een beetje waardering voor mijn boeken…”

Ten koste van uw vader.

„Mag ik je iets anders vertellen? In Ede zijn veel kerken, ook kerken waar duizenden mensen komen. Ik voel geen enkele behoefte om daarnaartoe te gaan, maar er is ook een heel klein kerkje dat nog gewoon gereformeerd is en daar leg ik weleens mijn oor tegen de muur. Ik hoor de gemeente psalmen zingen en ik kan meteen meezingen en nu denk ik erover om iets te regelen voor als ik eh…”

Dood ben?

„Een dienst in de Westerkerk in Amsterdam, vanwege de schitterende lichtinval. Of in de Noorderkerk, want die is nog echt hervormd en heel mooi gerenoveerd bovendien. We beginnen met votum en groet, Onze hulp en onze verwachting is van God, onze Heer… Geen preek, geen dominee, een paar vrienden zeggen iets, ik heb het ze al gevraagd, maar aan het eind wel de zegen. De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Amen. Gerda zal ervoor zorgen dat er heel mooie muziek wordt gespeeld.”

Welke muziek?

„Ik ben zelf weg van Debussy, dus ik denk aan de Prélude à l’après-midi d’un faune. Maar nu het idiote: ik hoop, nee, ik dénk dat ik er zelf bij zal zijn. Heel kinderlijk. Ik ben er gewoon bij. Ik kan me mijn eigen dood gewoon niet voorstellen. Wil je een glaasje wijn?”

Lees ook: Centraal in ‘Jas van belofte’ staat een klein, maar voor veel Amsterdammers bekend steegje: de Heisteeg

Is ‘Jas van belofte’ uw zwanenzang?

„Nee. Ik denk wel: meer naar de kleinkinderen. Ik heb er zes en in het weekend hebben ze wedstrijden en zo. Maar ik zit graag in mijn hoekje te schrijven. Ik weet al hoe mijn nieuwe boek gaat heten, voorlopig dan.” Hij pakt een stukje papier en noteert: Kaalkop, ga op. „Waar doet je dat aan denken? Wie wordt er in de Bijbel uitgescholden voor kaalkop?

„Elisa! Hij steekt die rivier over en komt in een oerwoud waar tweeënveertig jongens lopen en die schelden hem uit. Kaalkop, ga jij ook maar naar de hemel! Hij schijnt heel weinig haar te hebben gehad. De Here God hoort dat en stuurt twee berinnen – waarom het berinnen zijn weet ik ook niet – en die verslinden al die tweeënveertig jongens. Ik gebruik dat verhaal om te schrijven over de twee vrouwen in Jas van belofte, Caroline en Lisette. Die krijgen een verhouding met elkaar en dan… Nou, goed. Zal ik anders een ei voor je bakken?”

Wat had u nou toen u naar het ziekenhuis moest?

„Er zijn meteen foto’s gemaakt en ik lag daar en de neuroloog van dienst komt naar me toe en zegt: niets aan de hand, geen schade, niets. Een bloedpropje dat was los geschoten, maar het was al opgelost en ze konden niet meer nagaan waar het vandaan kwam. Na een paar uur kon ik alles weer. Het mooie is: ik ben geen ogenblik bang geweest. Ik ben vaak bang, maar op het moment dat ik bang had moeten zijn, was ik het niet.”

De Boekenweek duurt van 23 t/m 31 maart. ‘Jas van belofte’ is gratis bij besteding van minstens 12,50 euro aan Nederlandse boeken.