Het veranderde voetbalsentiment in Nederland en Duitsland

EK-kwalificatie Sinds het WK is het onrustig rond de Duitse ploeg. Maar is Duitsland echt zoveel zwakker geworden dat Oranje nu ineens favoriet is?

Virgil van Dijk (links) viert zijn doelpunt tegen Wit-Rusland met Memphis Depay, afgelopen donderdag.
Virgil van Dijk (links) viert zijn doelpunt tegen Wit-Rusland met Memphis Depay, afgelopen donderdag. Foto KOEN VAN WEEL/ANP

Vanachter een bureau in Mönchengladbach, twintig minuten voorbij Venlo, ging een Duitse jeugdtrainer er eens goed voor zitten. Ja, zei hij vervolgens, er schort toch een en ander aan jullie voetbal.

Het was herfst 2015 en Nederland was een (voetbal)land in crisis. Geen Oranje op het EK 2016 – het was gevoelsmatig onvoorstelbaar, al had het onheil zich al lang en breed aangediend. De vraag hoe dat mogelijk was, bracht ons naar Duitsland, op dat moment de beste voetbalnatie van het continent, in de veronderstelling dat ze daar wél een succesformule hadden. Wereldkampioen in 2014 en sinds het WK 2006 op elk eindtoernooi in de halve finale; kennelijk wisten de Duitsers hoe modern voetbal werd gespeeld.

Op verzoek ontleedde Ronald Virkus, hoofd jeugdopleiding bij Borussia Mönchengladbach, de revolutie die na het verloren EK 2000 in Duitsland was ontketend. Er was op technisch vlak een inhaalslag gemaakt, zónder aan vechtersmentaliteit in te boeten. Door elders in de keuken te kijken, ironisch genoeg vooral in Nederland, verrijkten ze hun voetbal met nieuwe ingrediënten. Ga de sport meerdimensionaal zien, tipte Virkus. „Als een symbiose van technische vaardigheden, mentaliteit, fysiek, gepaard met spelvreugde.”

Lang verhaal kort: de Duitsers liepen voluit sprintend voorop, Nederland hobbelde er gemankeerd achteraan.

Verleidelijk opportunisme

Het is dan ook verbazingwekkend dat er drieënhalf jaar later een ander soort sentiment is opgeborreld. Waar de Duitsers tot voor kort op onze bescheidenheid konden rekenen – KNVB-directeur Eric Gudde ging persoonlijk op bezoek bij Bundesligaclub RB Leipzig – weerklinkt nu her en der de suggestie dat Nederland zondagavond misschien wel favoriet is, in de onderlinge EK-kwalificatiewedstrijd in de Johan Cruijff Arena.

Is er in de afgelopen jaren dan zoveel veranderd dat de machtsverhoudingen zijn gekanteld? Of draait het toch gewoon om dat even typische als verleidelijke opportunisme in de voetballerij, de valkuil om in enkele hoogstandjes van Memphis Depay niet de vorm van de dag maar structureel succes te ontwaren?

Sentimenten veranderen snel, krachtsverschillen niet. Terwijl Nederland onder leiding van Ronald Koeman zeker nog niet zorgenvrij is, beschikt de Duitse bondscoach Joachim Löw over een ploeg die zich zomaar snel zou kunnen hervinden. De totale transferwaarde van de Duitse selectie is een miljard euro, van Oranje 600 miljoen. Misschien vormden de twee duels in de Nations League in de herfst van 2018 wel een voorproefje, toen domineerden de Duitsers overal op het veld, behalve voor het doel.

Feit is dat de druk bij Duitsland hoger ligt. Het mislukte WK, dat al voorbij was na de groepsfase, moet worden goedgemaakt. In Rusland oogde Löw als een tsaar die in de steek werd gelaten door zijn manschappen. Wilden ze niet meer voor hem vechten of konden ze niet beter konden omdat hij ze niet op de juiste posities had gezet?

Daarbij kwam nog de affaire-Özil, de ophef rond een foto waarop de middenvelder een Duits shirt overhandigt aan de Turkse president Erdogan. Dat beeld schudde heel Duitsland op. Wie niet vóór Özil was, was tegen hem. Weg was het eensheidsgevoel waarmee Die Mannschaft in Brazilië wereldkampioen was geworden.

Er restte bestuurders, spelers en coach niets dan bezinning en zelfreflectie. Uiteraard gevolgd door de vraag of Löw na twaalf dienstjaren nog de juiste man was. Ja, vond de bond en Löw tekende bij tot en met het WK 2022 in Qatar.

Afscheid van routiniers

Zijn ploeg won sindsdien nog geen wedstrijd. Laatste in een poule met Frankrijk en Nederland in de Nations League, en een gelijkspel in een oefenduel met Servië. De laatste weken zaaide Löw onrust met de bekendmaking van zijn selectie. Geen Mats Hummels (30), geen Jerome Boateng (30), geen Thomas Müller (29); de drie zullen nooit meer worden geselecteerd.

Pijnlijk, want de routiniers spelen nog wekelijks op topniveau bij Bayern München. Stijlloos, vond Müller het. Noodzakelijk, noemde Löw het. Ook het spelconcept gaat op de schop, maakte Löw bekend op een persconferentie waar hij ook liet doorschemeren dat de Duitse jeugdopleidingen moeten veranderen. „Fysiek is de grens bereikt. Sneller is ook bijna niet mogelijk. We moeten cognitief beter opleiden. Wie handelt snel onder tijdsdruk? Wie kan het beste omgaan met weinig ruimte? Het gaat om individuele vaardigheden. Eén-tegen-één-acties moeten weer gestimuleerd worden. Landen als Engeland, Spanje en Frankrijk liggen daarin op ons voor.”

Het klinkt alsof met het falen van de Duitse ploeg, iets meer dan vier jaar na het gouden WK, ineens ook alles mis is bij jeugd. In Nederland weerklonken dezelfde geluiden toen Oranje achtereenvolgens deelname aan het EK in Frankrijk en het WK in Rusland misliep. Ook toen deugde er niets van de academies in het land. Doordat ‘we’ altijd maar bezig waren met creatief aanvalsspel, zouden we geen winnaars en mannetjesputters opleiden. Uit vuistdikke rapporten en discussiebijeenkomsten werd de conclusie getrokken dat het Nederlandse jeugdvoetbal op de schop moest.

Maar het is de vraag of de kritiek van toen heeft geleid tot de prestaties van nu. In theorie lijkt het alsof er bij Nederland en Duitsland veel is veranderd de voorbije jaren. In de praktijk zou dat wel eens kunnen meevallen.