‘Geen rampzaliger vrouw dan ik’ – De moeder, de vrouw

Boekenweek Als aftrap van de Boekenweek – die morgen van start gaat met het thema ‘De moeder, de vrouw’ – enkele venijnige moeders op een rijtje. Gelukkig zijn dergelijke moeders van alle tijden.

Medea (1868), door Anthony Frederick Sandys (Birmingham City Art Gallery)
Medea (1868), door Anthony Frederick Sandys (Birmingham City Art Gallery)

Euripides, Medea

‘Nu wordt de daad onmiddellijk volbracht;

aleer ik vlucht, zal ik mijn kind´ren dooden.

Deed ik het niet, tot gruwelijker dood

moest ik hen in de macht van and´ren laten.

Zij zijn verloren; maar daarom zal ik,

die hun het leven gaf, ´t óók hun benemen.

Welaan, het hart gepantserd, niet gedraald.

Grijp vast het zwaard, rampzaal´ge moederhand,

grijp het en breng uw lijdensweg ten eind.

En niet versagen, niet meer denken, hoe

uw hart vol moederliefde was. Vergeet

voor korte stonde, dat ze uw kind’ren zijn.

Beween hen straks; al doodt ge hen, zij zijn

u lief; ai - geen rampzaal’ger vrouw dan ik.’

Jane Austen, Trots en vooroordeel

Mrs. Bennet vat de voordelen van het toekomstig huwelijk samen: „Hoe rijk en hoe belangrijk je zal worden! Wat een zakcentje, welke juwelen, welke koetsen je zal hebben!”

Gustave Flaubert, Madame Bovary: ‘„Laat me met rust,” zei ze en duwde het kind met haar hand van zich af. Even later kwam de kleine nog dichterbij tegen haar knieën aan staan, en met haar armpjes op haar leunend, keek zij met haar grote blauwe ogen naar Emma op, terwijl er uit haar mond een helder straaltje speeksel neerdroop op haar zijden schort.

„Laat me met rust”, herhaalde de jonge vrouw geërgerd. Het kind schrok van haar gezicht en begon te huilen. „Hè! Laat me dan toch met rust!” zei ze en gaf haar een duw met haar ellenboog. Berthe tuimelde tegen een kopen handvat van de commode; zij haalde haar wang open, er kwam bloed uit. […] Grote tranen stonden in de hoeken van haar halfgesloten ogen, en tussen de wimpers waren de fletse, verzonken oogappels te zien; de hechtpleister op haar wang trok de huid strak. „Wat vreemd toch”, dacht Emma, „zo lelijk als dat kind is!”

Christina Stead, De man die van kinderen hield

De laatste woorden voordat moeder Henny zelfmoord pleegt: ‘Henny keek met laaiende zwarte ogen woest naar het kind. Ze hief haar hand op en wees naar haar, maar zei niets. Toen zei ze langzaam: „Beest dat je bent, stelletje beesten, mijn baarmoeder wordt aan stukken gescheurd door jullie. Overal zit olie en jullie smerige lakens vallen over me heen en laten me stikken van het zweet, ik kan er niet meer tegen”. […] „Goed,” zei Henny, „barst allemaal maar!” Ze greep de kop en dronk hem snel leeg, en een blik vol afgrijzen trok over haar gezicht alsof ze zichzelf had willen tegenhouden maar de handeling niet meer kon stoppen.’

W.F. Hermans, De Donkere kamer van Damokles

‘-Moeder heeft vaak gezegd dat zij vader zou doodslaan met het breekijzer

-Breekijzer?

-Het breekijzer dat onder de toonbank ligt, oom. Het is aan de ene kant een breekijzer en aan het andere eind een hamertje.’

James Baldwin, Als Beale Street kon praten

‘Fonny zat vaker bij ons dan bij zijn eigen ouders. Daar was de hele tijd ruzie. Mevrouw Hunt kon Fonny niet uitstaan. Althans Fonny’s manier van doen, en zijn beide zussen hielden het met mevrouw Hunt, vooral nu ze zo verschrikkelijk in de problemen zaten. Hun hele opvoeding was erop gericht geweest dat ze zouden gaan trouwen, maar helaas werd niemand uit de buurt goed genoeg bevonden. […] Tussen de gebeden door van de moeder (die overigens meer van vervloekingen weg hadden) en de tranen van de zussen (die overigens meer van orgasmes weg hadden) had Fonny geen schijn van kans.’

Michel Houllebecq, Elementaire deeltjes

‘De twee echtelieden vormden destijds wat later een „modern echtpaar” zou worden genoemd, en janine werd eigenlijk alleen per vergissing zwanger van haar man. Ze besloot het kind niettemin te houden; het moederschap, dacht ze, was een van de ervaringen die een vrouw moet hebben meegemaakt. De zwangerschap was trouwens een vrij aangename periode, en Bruno werd geboren in maart 1956. De eentonige beslommeringen die de opvoeding van een jong kind met zich meebrengt leken het stel algauw slecht te combineren met hun persoonlijke vrijheidsideaal, en in onderlinge overeenstemming stuurden ze Bruno in 1958 naar zijn grootouders van moederskant in Algiers.’

Elena Ferrante, Het verhaal van het verloren kind

‘Daar was de manke stap van mijn moeder, ze opende de deur, sperde haar ogen alsof we drie spoken waren. Ze was magerder geworden; haar gezichtsbeenderen, neus en oren leken enorm. […]

„Ik heb nóg een boek geschreven.” „Wat kan mij dat verrekken.”

Ik zweeg. Met een vies gezicht sneed zij een citroen doormidden, perste het sap in een glas. „Waarom rink je citroensap?” vroeg ik.

„Omdat mijn maag zich omdraait als ik je zie”.

Toni Morrison, God sta het kind bij

‘Ik zeg het niet graag, maar op de kraamafdeling was ik van meet af aan verlegen met de kleine Lulu Ann. Bij haar geboorte was haar huidje bleek, net als van alle baby’s, zelfs Afrikaanse, maar dat veranderde snel. Ik dacht dat ik gek werd toen ik haar voor mijn ogen pikzwart zag worden. Ik weet dat ik heel even gek werd omdat ik één keer – een paar seconden – een deken over haar gezichtje legde en erop drukte. Maar dat kon ik toch niet, hoe graag ik ook wilde dat ze niet met die afschuwelijk kleur geboren was. Ik dacht er zelfs over haar aan een of ander weeshuis weg te geven. En ik was bang zo’n moeder te zijn die haar kindje op de trappen van een kerk legt. Ik hoorde pas nog over een stel in Duitsland, spierwit, dat een donker kindje had gekregen wat niemand kon verklaren. Een tweeling geloof ik – het ene wit, het andere donker. Maar ik weet niet of het waar is. Ik weet alleen dat het voeden voor mij voelde alsof er een klein nikkertje aan mijn tepel lag te sabbelen. Zodra ik thuis was, ben ik op flesvoeding overgestapt.’

Grunberg, Moedervlekken

‘Moeder pakt hem vast. Even denkt hij dat ze zich aan hem vastgrijpt omdat ze bang is te vallen, maar dan beseft hij dat ze hem omhelst. Ze drukt hem tegen zich aan, ze geeft hem liefde. Ze fluistert in zijn oor: „Omdat je me nodig had. Omdat ik het wist en altijd heb geweten. Niemand kan van je houden., niemand alleen je moeder. Omdat je het zonder mij niet zou redden.” […] Wie is moeder om te bepalen dat niemand van hem kan houden? Wie is zij om hem te willen verleiden tot de meest monogame liefdesrelatie die ooit op deze aarde heeft bestaan?’