Recensie

Recensie Boeken

Het ‘Avondland’? Dat is flauwekul

Oswald Spengler Nieuw Rechts verwelkomde de vertaling van zijn Der Untergang des Abendlandes als een nog altijd actueel boek. Maar zijn onheilsprofetie blijft flauwekul, die vaak bijzonder kwalijk is.

Foto: Getty Images

Eind 2017 viel ik bijna om van verbazing toen de Nederlandse vertaling van Der Untergang des Abendlandes door sommigen werd verwelkomd als een belangrijke bijdrage aan het maatschappelijk debat. Een pseudo-wetenschappelijk, in orakeltaal geschreven cultboek uit 1918 zou ons na honderd jaar nog iets te zeggen hebben? Was Spengler dan niet de anti-democratische en anti-liberale denker die driftig had meegewerkt aan het ondermijnen van de toch al wankele Weimarrepubliek? Had ik al die boeken over de geestelijke voedingsbodem van het nationaalsocialisme toch niet helemaal begrepen? Was het feit dat ik Spenglers boek, in de Originalsprache, ooit na tweehonderd bladzijden vermoeid had weggelegd, een bewijs van oppervlakkigheid of geestelijk onvermogen geweest? En had een Nederlands historicus als Frits Boterman ons 26 jaar geleden dan voor de gek gehouden?

Boterman (1948) promoveerde in 1992 op de intellectuele biografie van Spengler, en in die tijd, zo kort na de val van de Muur, leek Der Untergang des Abendlandes een tekst uit een voltooid verleden tijd. Na vijfenzeventig jaar was het totalitaire communisme eindelijk verslagen en leek ‘het Westen’ definitief te hebben gewonnen. Een onheilsprofetie uit 1918 kon uiteraard veel vertellen over het geestelijk klimaat in het interbellum, maar scheen vanzelfsprekend gespeend van elke actualiteitswaarde. Na de neoliberale shocktherapie waaraan het voormalige Oostblok werd onderworpen; na de genocidale oorlog op de Balkan, 9/11 en de opkomst van het islamitisch terrorisme, na de kredietcrisis, de wedergeboorte van het ultranationalisme en populisme, de agressieve buitenlandse politiek van Poetin en de verkiezing van Trump, ziet de toekomst er heel wat minder rooskleurig uit, zodat een boek over de ondergang van ‘het Westen’ ineens veel relevanter lijkt. Maar is dat ook zo?

Imperium Germanicum

Het grootse panorama dat Spengler (1880-1936) schilderde van de geschiedenis van de menselijke beschavingen maakte indertijd veel indruk. Nog altijd laten sommigen zich meeslepen door het enorme aantal ‘feiten’ die op apodictische toon in een dwingend verband worden geduwd. Het is echter goed te weten dat Spengler van mening was dat een historicus geen wetenschapper behoorde te zijn, maar een ‘dichter-ziener’, die de ware aard van het historische noodlot, het Schicksal, moest blootleggen. En voor zijn eigen tijd hield dat in dat de ‘faustische’ – dynamische en expansieve – cultuur van het Avondland ten dode was opgeschreven, behalve dan in Duitsland, waar ze nog springlevend was. Zodoende zou er voordat de geschiedenis ten einde liep eerst nog een duizendjarig Imperium Germanicum heersen.

Lees ook het interview met Francis Fukuyama: ‘Dat een westerse samenleving ook áchteruit kan gaan, daar had ik niet over nagedacht’

Dat de ‘dichter-ziener’ er met de duur van dit Duizendjarige Rijk negenhon- derdachtentachtig jaar naast zat, en dat de geschiedenis daarna ook nog niet was afgelopen, zijn twee dingen waarover je natuurlijk je schouders kunt ophalen – wat een filosoof als Ad Verbrugge ook daadwerkelijk doet – maar Boterman laat in zijn nu verschenen biografie van Spengler zien dat dit lang niet de enige flauwekul was die Spengler debiteerde. En dat die flauwekul ook vaak bijzonder kwalijk was.

Spengler was namelijk niet louter een pseudo-wetenschapper die graag tegemoet kwam aan de onuitroeibare behoefte aan ‘diepe inzichten’, maar ook een politiek activist. Tijdens de Weimarrepubliek speelde hij een rol binnen de beweging die doorgaans wordt aangeduid als de konservative Revolution, waarin werd gepleit voor een autoritaire, militaristische Volksgemeinschaft die een soort derde weg moest vormen tussen het kapitalisme en het marxisme, die beide niet deugden omdat ze rationalistisch en materialistisch waren. In zijn Preussentum und Sozialismus (1919) pleitte hij voor een vorm van ‘nationaal socialisme’ en door zijn status als bestsellerauteur kwam hij in contact met tal van industriëlen, hoge militairen en ultra-nationalistische politici die een einde wilden maken aan de prille parlementaire democratie.

NSDAP kleinburgerlijk

De nazi’s – de vleugel van de ‘conservatieve revolutie’ die het meest levensvatbaar zou blijken – hadden niet veel op met Spengler, omdat hij te somber en te defaitistisch was. Omgekeerd was er ook sprake van een ambivalente houding. ‘Hitler is een stommerd, maar de beweging moet men steunen’, zei Spengler, die al spoedig afstand nam van het nationaalsocialisme. De NSDAP was hem namelijk te kleinburgerlijk, te gematigd en te parlementair. Dat dit tactiek was, waarmee Hitler in 1933 aan de macht wist te komen, zag Spengler niet. Zoals hij zoveel niet zag. Hij mocht zichzelf dan als ‘ziener’ beschouwen, maar hij stond met zijn rug naar de toekomst en vond visioenen belangrijker dan feiten. Tegenwoordig mag hij dan door veel vertegenwoordigers van Nieuw Rechts worden gezien als een belangrijk denker, maar daarbij moet niet vergeten worden dat hij het verstand verachtte.

In het voorwoord bij de licht herziene editie van zijn dissertatie keert Boterman zich tegen ‘de wens van een groeiend aantal personen om de ideeën in Der Untergang des Abendlandes los te zien van de historische periode waarin ze zijn ontstaan, de politieke implicaties daarvan ter zijde te schuiven en zijn achterhaalde geschiedspeculatieve systeem te gebruiken als leidraad voor de duiding van de huidige turbulente tijd’.

Uit zijn boek wordt heel duidelijk dat het niet alleen zinloos maar ook gevaarlijk is om uit een verlangen naar quasi-diepzinnigheid of intellectuele gemakzucht klakkeloos ‘de oude karresporen uit het verleden’ te volgen, omdat die je onveranderlijk naar oude valkuilen zullen leiden. En hoe diep die kunnen zijn, kan iedereen sinds 1933 weten.