Opinie

Ineens wist mijn moeder niet meer wie ze was

Michel Krielaars

Onlangs wist mijn 95-jarige moeder ineens niet meer wie ik was. ‘Ben je nu mijn man, mijn broer of mijn zoon?’ vroeg ze in de patisserie waar ik op zaterdagochtend altijd een kop koffie met haar drink. Ik noemde mijn naam en ineens herkende ze me weer. Verlegen glimlachend wuifde ze haar verdwazing weg.

Een paar dagen later vertelde ik dit voorval aan een bevriende uitgever, die altijd naar mijn moeder vraagt. ‘Als jij haar levensverhaal opschrijft, wordt het geheid een bestseller’, zei ze in een zoveelste poging me aan te moedigen iets te schrijven wat ik voorlopig niet van plan ben.

Familiegeschiedenissen, zeker met een scheutje Tweede Wereldoorlog, een eigenzinnige hoofdpersoon en wat liefdesdramatiek, doen het in de boekhandel tegenwoordig beter dan menige roman. En als je dan ook nog je moeder niet afzeikt, zoals in de Nederlandse literatuur vaak gebeurt, dan is succes verzekerd.

De Boekenweek heeft dit jaar als thema ‘De moeder de vrouw’ en moet een ode aan het moederschap worden. Nu zorgt Libris-Literatuurprijswinnaar Murat Isik daar met zijn boekenweekessay Mijn moeders strijd ongetwijfeld voor, omdat zijn boekje over de emancipatiegeschiedenis van zijn moeder gaat, een vrouw die vanuit Turkije in de Amsterdamse Bijlmer werd geparachuteerd. Maar toch vraag ik me af of het voldoende is om iets te veranderen aan het clichébeeld van de moeder.

Voor mij is de oermoeder uit de Nederlandse literatuur nog altijd Jacoba Katadreuffe, de ongehuwde moeder van Jacob Willem Katadreuffe, de hoofdpersoon uit F. Bordewijks roman Karakter (1938). Eigenzinnig als ze is, buigt ze voor niets en niemand en vooral niet voor Dreverhaven, de verwekker van haar kind.

Onafhankelijke vrouwen als Jacoba Katadreuffe hadden lange tijd het nakijken. Dat veranderde toen vele jaren na het verschijnen van Karakter schrijvers als Doris Lessing, Simone de Beauvoir en Joke Smit het voor de Jacoba Katadreuffe’s van deze wereld opnamen.

Hoe bekrompen het er vroeger aan toeging, las ik in de memoires van Simone de Beauvoir, die in 2018 ter gelegenheid van haar 110de geboortejaar in een prachteditie in de Pléiade-reeks verschenen. In Mémoires d’une jeune fille rangée kun je de vooroordelen uit haar bourgeois-omgeving navoelen waaraan de schrijfster zich als jonge vrouw ontworsteld heeft. Die strijd maakt nog altijd indruk, zeker als je daarna Oude dozen leest, Marja Vuijsjes even indringende als vermakelijke portret van de tweede feministische golf in Nederland. Hierin geeft ze toe dat sommige van de door haar generatie verworven vrijheden – met name die op seksueel gebied – misschien wel te ver zijn doorgeslagen, maar dat ze vaak toch van blijvende waarde zijn.

Om dat beeld voor mezelf te verhelderen nam ik Moedertje lief ter hand, de bloemlezing met Russische moederverhalen, die moeders in al hun gedaantes laat zien. Vaak deden ze me, in een land waar het gewoon is dat vrouwen stukadoor, metselaar, bouwvakker of loodgieter zijn, aan Jacoba Katadreuffe denken. En ineens besefte ik weer dat er zelfs in het geëmancipeerde Nederland aan de positie van de onafhankelijke vrouw nog heel wat te verbeteren valt.