Recensie

Recensie Boeken

Als boven- en onderwerelden vervloeien

Daisy Johnson De verhalen in haar debuutbundel behoren nu al tot de beste van deze tijd. Dat komt met name doordat het onmogelijke als iets vanzelfsprekends wordt gepresenteerd.

Blakemere Moss in Cheshire, Engeland
Blakemere Moss in Cheshire, Engeland Foto iStock, bewerking NRC

Eind vorig jaar zag ik op een festival in Brussel Daisy Johnson voorlezen. Vriendelijk maar gedecideerd en in een strakke, onontkoombare cadans las ze ‘Starver’, het eerste verhaal uit haar debuutbundel Fen. Het verhaal over de vreemde transformatie die de zus van de vertelster onderging maakte grote indruk.

Haar verhalenbundel is nu vertaald, onder de titel Veenland. Het eerste verhaal, dat hier ‘Hongerlijder’ heet, is nog steeds groots, zo’n verhaal dat eigenlijk meteen een klassieke status heeft, alsof het al langer bestond, alsof je geen debuut hebt opengeslagen, maar een bloemlezing van de beste verhalen van de afgelopen tijd.

Waarom is het verhaal zo goed? Omdat Johnson het met haar kalme, zelfbewuste stijl klaarspeelt een onmogelijke gedaanteverwisseling te presenteren als iets dat binnen het verhaal vanzelf spreekt. Nergens waarschuwt ze haar lezers dat er nu toch echt iets vreemds gaat gebeuren, of dat we ons in een vreemde wereld bevinden. En de lezers gaan mee. Ze weten niet wat hun overkomt en accepteren tegelijkertijd dat een verhaal dat over anorexia leek te gaan iets heel anders behelst.

Agressie

Alle verhalen uit Johnsons bundel spelen zich af in hetzelfde gebied, het drassige veenland in het oosten van Engeland. En in alle verhalen zijn grenzen niet hard, maar vloeiend. Boven- en onderwerelden lopen in elkaar over. Mensen veranderen in dieren, of bestaan uit klei, huizen raken dodelijk verliefd op bewoners, taal bezit de mogelijkheid om letterlijk te verwonden. Het is een vreemde wereld die Johnson ons voorschotelt, vol bloed, agressie en diep, donker water, maar haar personages (alle hoofdpersonages uit de verhalen zijn vrouwelijk) bewegen zich in die wereld alsof ze er thuis zijn, en dat zijn ze ook: ze bewonen huizen, ze bezoeken vrienden, gaan naar de pub, raken verliefd, raken zwanger – maar altijd is er dreiging, van het verborgene, het niet-menselijke, van overwoekering.

Het is alsof Johnson al die animale en aardse elementen gebruikt om onze geest te bepalen bij het lichamelijke. Ze laat haar personages inzoomen op details. Een meisje dat voor het eerst een man naakt zag, herinnert zich alleen stukjes: ‘de veeg van nattigheid, de droge huid op zijn dijen en bovenarmen, de smalle ruggengraat die in de onderrug opging’. In het verhaal ‘Vol overgave’ krijgt een vrouw in ‘de zomer dat de vlaktes onderliepen en het water zo lang bleef staan dat alle bomen tot pulp verrotten’ een zoon, of misschien moet je zeggen een jong, ‘een klein vervormd geval van huid en bot, dunne polsjes die grote, zware handen ophielden’. Meteen al bij zijn geboorte heeft hij ‘een lok donker haar bijna tot aan zijn schouders en een rij fijne witte tanden die zich aan mijn vingers vastbeten’. De moeder herinnert zich alleen fragmenten van de bevruchting, op een nacht in het maïsveld: ‘een arm die naar voren schoot, de huid geplooid, een knobbeltje van iets wat ergens doorheen brak: een veer.’

Raadsels

Alle details zorgen alleen maar voor raadsels, maar niemand lijkt op zoek naar een oplossing – de raadsels bevinden zich in ons hoofd, niet in het Veenland van Johnson en uiteindelijk aanvaard je ook als lezer haar wereld. Want het universum van Veenland is geen andere wereld, juist niet – het is deze wereld, de onze, maar dan met aspecten die we niet meteen zien, die we zijn vergeten; een wereld van duistere, klamme elementen, waar scherpgetande wezens met gladde huiden door donker water glippen, waar wezens met sterk riekende vachten door vochtige struiken schieten. Het is een wereld waar we midden in zitten maar die we niet waarnemen, een wereld waarvan we ons niet bewust zijn, zeker niet wanneer we onder de schemerlamp zitten te lezen, bijna zonder lichaam, een en al aandachtige geest.

In haar vaderland Groot-Brittannië oogstte Johnson (1990) veel lof toen ze 2016 met deze bundel debuteerde. Twee jaar later verscheen haar roman Everything Under, over een meisje dat opgroeit tussen woonbootbewoners. De grens tussen water en land, een fabeldier dat onder het wateroppervlak schuilt – thema’s uit de verhalen duiken ook in de roman op, maar hoewel ze met Everything Under als jongste auteur ooit de shortlist van de Booker Prize haalde, zijn Johnsons verhalen beter, alsof haar vervreemdende universum aan kracht verliest wanneer ze het moet uitspreiden over de lengte van een roman. Maar ondertussen is Johnson wel een groot, eigenzinnig talent, een veelbelovende schrijver voor lezers die hun onrust graag aangewakkerd zien.